Grens tussenuitspraak en einduitspraak
29 maart 2024
Leestijd: 9 minuten
Cassatie Procederen in hoger beroep

De grens tussen een tussenuitspraak en een (gedeeltelijke) einduitspraak | Procederen in hoger beroep

Het appelprocesrecht kent verschillende valkuilen die de kansen op een succesvol hoger beroep en een daaropvolgend cassatieberoep verkleinen. Kennis daarvan is dus van groot belang. In deze blogreeks ‘procederen in hoger beroep’ belichten onze cassatieadvocaten steeds vanuit praktisch perspectief een aspect van een belangrijk appelprocesrechtelijk leerstuk. Voor de mogelijkheid tot het aanstonds instellen van hoger beroep is het van belang uit te maken of een vonnis kwalificeert als tussenvonnis of als eindvonnis. Deze keer wordt daarom ingegaan op twee recente arresten van de Hoge Raad die meer duidelijkheid geven over de grens tussen een tussenuitspraak en een (gedeeltelijke) einduitspraak.

Tussenuitspraak, einduitspraak en deeluitspraak

Een rechter kan voordat hij definitief over een zaak beslist een tussenuitspraak doen. Een tussenuitspraak is een uitspraak waarin de rechter nog niet definitief over het in de hoofdzaak gevorderde heeft beslist. Dit houdt in dat in het dictum van een tussenuitspraak niets wordt beslist over (een deel van) het gevorderde.[1] Uit artikel 337 lid 2 Rv volgt dat tussentijds hoger beroep tegen tussenvonnissen in beginsel is uitgesloten. Zie voor een uitgebreide bespreking van de uitzonderingen op deze hoofdregel de blog ‘Nieuwe appeltermijn tussentijds hoger beroep tegen tussenvonnissen | Procederen in hoger beroep’.

Bij een einduitspraak is daarentegen sprake van een beslissing in het dictum, waarmee een einde wordt gemaakt aan het geding omtrent (enig deel) van het gevorderde.[2] Dat is het geval als een vordering (gedeeltelijk) wordt toegewezen of afgewezen.[3] Tegen een eindvonnis kan direct hoger beroep worden ingesteld, de appeltermijn van drie maanden begint krachtens artikel 339 Rv te lopen vanaf de dag van de uitspraak.

Sommige tussenuitspraken bevatten ook een beslissing die als einduitspraak moet worden gezien. Dit worden deeluitspraken genoemd. De rechter heeft in dit geval de zaak voor een deel afgedaan door in het dictum een deel van het gevorderde toe- of af te wijzen. Dat doet zich bijvoorbeeld voor bij toewijzing van een deel van het gevorderde bedrag en een bewijsopdracht voor het resterende deel. De appelbeperking van artikel 337 Rv raakt niet dat deel van het tussenvonnis dat in feite een eindvonnis is.[4]

Beslissing over het materiële recht

Niet elke (tussentijdse) beslissing op wat in het petitum is gevorderd, is een einduitspraak. Het moet gaan om het materiële recht waarvan in de procedure nakoming wordt gevorderd. Beslissingen die daartoe slechts een ondersteunend karakter hebben, zijn geen eindbeslissingen. Uitspraken over vorderingen die betrekking hebben op de voortgang of instructie van de zaak, zoals de vordering tot het bevelen van een deskundigenonderzoek, vallen dan ook niet te kwalificeren als einduitspraak. Vuistregel is dat een beslissing in het dictum op een vordering in het petitum een einduitspraak is indien die vordering de uiteindelijke inzet van het geding betreft.[5]

Voor een proceskostenveroordeling geldt in het algemeen dat hiermee geen definitieve beslissing wordt gemaakt over het in de hoofdprocedure gevorderde. De vordering tot proceskostenvergoeding betreft een accessoire vordering en niet een zelfstandig deel van het gevorderde, waardoor een oordeel over deze vordering op zichzelf geen einduitspraak is.[6] In de volgende zaak ging het om de vraag of een beslissing over een vordering tot ‘volledige’ proceskostenveroordeling wel als einduitspraak valt te kwalificeren.

HR 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:57: Is een beslissing in het dictum over een vordering tot volledige proceskostenveroordeling een einduitspraak?

In de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 19 januari 2024, vorderde Google in hoger beroep een volledige proceskostenveroordeling wegens misbruik van recht. Bij een ‘gewone’ proceskostenvergoeding moet de in het gelijk gestelde partij het doorgaans doen met een forfaitaire vergoeding. Voor de toewijzing van een volledige proceskostenvergoeding zijn dan ook bijzondere omstandigheden vereist. Daarvan kan sprake zijn bij misbruik van procesrecht door de wederpartij of wanneer het instellen van een vordering of het voeren van verweer, onrechtmatig handelen oplevert.[7]

De vordering tot volledige proceskostenvergoeding van Google werd door het hof afgewezen. Google stelt vervolgens dat deze proceskostenveroordeling een einde zou hebben gemaakt aan een deel van het geschil, en zodoende sprake is van een einduitspraak. Volgens Google is een vordering tot volledige proceskostenvergoeding in feite een vordering uit onrechtmatige daad, waardoor een oordeel over een volledige proceskostenveroordeling in feite een inhoudelijke beoordeling is van een vordering tot schadevergoeding.

A-G van Peursem wijst er in de conclusie bij dit arrest echter op dat de grondslag voor een gewone proceskostenveroordeling ook in de onrechtmatige daad kan worden gevonden.[8] Verder benadrukt van Peursem dat ook bij een volledige proceskostenveroordeling geen einde wordt gemaakt omtrent enig deel van het materieel gevorderde;  een oordeel daarover leidt niet tot een definitieve beslissing over het in de hoofdprocedure gevorderde. Hier komt bij dat een oordeel van de volledige proceskosten, net als een gewone proceskostenveroordeling, samenhangt met het inhoudelijk oordeel over het hoofdgeschil. Op het moment dat men eerder tegen een (met de hoofdzaak verwerven) proceskostenveroordeling in hoger beroep zou kunnen gaan, zou dit leiden tot processuele complicaties, aldus van Peursem.[9]

Qua karakter wijkt de volledige proceskostenvergoeding aldus niet af van de gewone proceskostenvergoeding. De Hoge Raad maakt dit onderscheid dan ook niet, en oordeelt dat de enkele beslissing omtrent ‘de proceskostenvergoeding’ in het dictum van een uitspraak deze niet tot een einduitspraak maakt.[10] Ook een beslissing over een vordering tot volledige proceskostenvergoeding valt dus te kwalificeren als tussenuitspraak.

Afwijzing incidentele vordering derde: einduitspraak voor derde

Op het moment dat een incidentele vordering van een derde wordt afgewezen – waardoor de zaak jegens die derde is geëindigd – geldt deze incidentele uitspraak als einduitspraak jegens de derde.[11] Hierbij valt te denken aan een afwijzing van een vordering tot tussenkomst[12], een afwijzing van een beroep op het verschoningsrecht van een getuige[13] en de aanvaarding door de rechtbank dat de gefailleerde door overname van het geding door de curator niet langer partij is[14].

HR 26 januari 2024,  ECLI:NL:HR:2024:97: Is sprake van een einduitspraak als een partij door een uitspraak definitief een wederpartij kwijtraakt in het geding?

In de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 26 januari 2024, kwam incidenteel aan de orde of sprake was van een rechtsopvolging onder bijzondere titel, en wie als eisende partij kon optreden: de curator van ECP (eventuele rechtsvoorganger) of X die meent dat zij de vordering van ECP door middel van cessie heeft overgenomen (eventuele rechtsopvolger). X wordt in het gelijk gesteld, waardoor de curator niet langer als procespartij wordt aangemerkt. Aangezien de curator buiten het geding wordt geplaatst, geldt deze uitspraak jegens hem als einduitspraak. In dit geding gaat het echter om de vraag of een dergelijke uitspraak ook jegens een partij die hierdoor definitief haar wederpartij kwijtraakt, als einduitspraak dient te gelden.

A-G Snijders overweegt in zijn conclusie bij het arrest dat die partij wezenlijke belangen kan hebben om de procedure met de oorspronkelijke wederpartij voort te zetten. Zo kan de wederpartij bij overname van het geding door de rechtsopvolger slechter af zijn doordat deze rechtsopvolger geen of minder verhaal biedt.[15] Vervolgens overweegt Snijders dat als de wederpartij uit het geding verdwijnt, de zaak van die partij jegens de wederpartij definitief is beëindigd. Volgens Snijders is hierom de uitspraak waarbij dat plaatsvindt in zoverre (ook) als einduitspraak aan te merken jegens de partij die wel procespartij blijft.[16]

De Hoge Raad gaat hier niet in mee. Hij houdt vast aan de hoofdregel dat (pas) sprake is van een eindbeslissing op het moment dat met een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het gevorderde een einde aan het geding wordt gemaakt. Aangezien met de beslissing dat een partij uit de procedure wordt gezet geen einde wordt gemaakt aan het hoofdgeschil en de wederpartij wel partij in de procedure blijft, is de bestreden beslissing niet een einduitspraak maar een tussenuitspraak.[17]

Betekenis voor de praktijk

Uit de hiervoor besproken jurisprudentie blijkt dat de Hoge Raad bij de beoordeling of sprake is van een (gedeeltelijke) einduitspraak, strikt vasthoudt aan de hoofdregel dat voor deze kwalificatie in het dictum van de uitspraak een einde moet worden gemaakt omtrent enig deel van het gevorderde. Hierbij dient men in gedachten te houden dat niet elke beslissing in het dictum automatisch een einduitspraak oplevert; het moet gaan om het materiële recht waarvan in de procedure nakoming wordt gevorderd. De Hoge Raad laat weinig ruimte voor een ruimere interpretatie van deze hoofdregel.

Voor de vraag of tegen de tussentijdse beslissing van de rechter aanstonds hoger beroep kan/dient worden ingesteld is aldus een zorgvuldige analyse van deze uitspraak vereist. Hierbij moet men er voornamelijk op letten of de uitspraak materieel een definitieve afwijzing of toewijzing van de hoofdvordering inhoudt.

 

 

[1]     E. Gras, R.G. Hendrikse & A.W. Jongbloed, Compendium van het Burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024/ 10.3.4.

[2]     HR 10 oktober 2003,  ECLI:NL:PHR:2003:AI0309, NJ 2003/709, rov. 3.3.

[3]     Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/35.

[4]     E. Gras, R.G. Hendrikse & A.W. Jongbloed, Compendium van het Burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024/ 9.2.3.

[5]     E. Gras, G. van Rijssen en D. Rijpma, Burgerlijk procesrecht praktisch belicht 2010/14.3.3.

[6]     Concl. G.R.B. van Peursem, ECLI:NL:PHR:2023:1030, bij HR 19 februari 2024 ECLI:NL:HR:2024:57, onder 4.27, in de trant van arbitrale eindvonnissen zie: Rb. Groningen 2 maart 1988, TvA 1989, p. 25: ‘De kostenveroordeling staat niet op zichzelf en beslist niet omtrent enig onderdeel van het materiële geschil tussen partijen. Zij is slechts een sequeel van de uitsptraak met betrekking tot de bevoegdheid en deelt hetzelfde lot als de uitspraak’, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1049 Rv, aant. 1.3.

[7]     GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 239 Rv, aant. 4

[8]     Concl. G.R.B. van Peursem, ECLI:NL:PHR:2023:1030, bij HR 19 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:57, onder 4.28, zie ook:
E. Gras, R.G. Hendrikse & A.W. Jongbloed, Compendium van het Burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024/9.4.3.

[9]     Concl. G.R.B. van Peursem, ECLI:NL:PHR:2023:1030, bij HR 19 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:57, onder 4.29-4.30.

[10]    HR 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:57, rov. 3.1.

[11]    GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 208 Rv, aant. 6

[12]    HR 24 juni 1992, ECLI:NL:HR: 1992:AD1703, NJ 1993/548, rov. 3.2, HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:183, NJ 2018/78, rov. 4.1 (afwijzing vordering tot tussenkomst is jegens derde einduitspraak).

[13]    HR 19 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8273, NJ 2005/454, rov. 3.2 (afwijzing vordering van getuige om hem niet op te roepen is jegens getuige einduitspraak).

[14]    HR 13 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:416, NJ 2020/222, rov. 3.3.3 (aanvaarding door rechtbank dat gefailleerde door overname van het geding door curator niet langer partij is, geldt als einduitspraak jegens gefailleerde).

[15]    Concl. G. Snijders, ECLI:NL:PHR:2023:1117, bij HR 26 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:97, onder 3.25, zie ook: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 208 Rv, aant. 6.

[16]    Concl. G. Snijders, ECLI:NL:PHR:2023:1117, bij HR 26 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:97, onder 3.29.

[17]    HR 26 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:97, rov. 3.1.