Data Privacy

Data & Privacy

FAQ over de Cyberbeveiligingswet en NIS2

Voor welke organisaties geldt de Cyberbeveiligingswet?

De Cbw is van toepassing op organisaties die onder één van de achttien aangewezen sectoren vallen. Het gaat hierbij om de sectoren energie, vervoer, bankwezen, infrastructuur voor de financiële markt, gezondheidszorg, drinkwater, afvalwater, digitale infrastructuur, ICT-beheer, overheid, ruimtevaart, post- en koeriersdiensten, afvalstoffenbeheer, chemie, levensmiddelen, bepaalde soorten fabricage, en digitaal onderzoek.

 

Als uitgangspunt voor veel categorieën geldt dat ten minste sprake moet zijn van een onderneming met ten minste 250 mensen in dienst en een jaaromzet van minimaal 50 miljoen euro, of een jaarbalans van minimaal 43 miljoen euro. Sommige organisaties vallen echter onder de wet ongeacht hun omvang, bijvoorbeeld vanwege de aard of maatschappelijke betekenis van hun diensten.

 

Organisaties moeten zelf vaststellen of zij onder de Cbw vallen.

Welke verplichtingen gelden onder de Cyberbeveiligingswet?

De Cbw kent vier centrale verplichtingen:

  • Organisaties moeten zich officieel registreren in het nationale entiteitenregister via het NCSC.
  • Zij moeten passende en evenredige maatregelen nemen om cyberbeveiligingsrisico’s te beheersen.
  • Zij moeten significante incidenten melden.
  • Zij moeten zorgen dat het bestuur daadwerkelijk verantwoordelijkheid neemt voor de cyberbeveiliging.

 

Organisaties zijn verplicht om risico’s voor hun netwerk- en informatiesystemen te beheersen, incidenten te voorkomen en/of de gevolgen daarvan te beperken. Daarvoor moeten zij allereerst vaststellen welke netwerk- en informatiesystemen zij gebruiken, aan welke risico’s deze zijn blootgesteld en wat de mogelijke negatieve gevolgen van een incident zijn. De maatregelen moeten aansluiten bij de omvang van de organisatie, de kans op incidenten, de mogelijke gevolgen en de stand van de techniek. Hierbij kan worden gedacht aan beleid over risicoanalyse en beveiliging van informatiesystemen, procedures voor het gebruik van cryptografie en encryptie, en het gebruik van multi–factor authenticatie. Significante incidenten moeten binnen de wettelijke termijnen worden gemeld aan het toepasselijke Computer Security Incident Response Team (CSIRT) en de bevoegde toezichthouder.

 

Het bestuur moet de beveiligingsmaatregelen goedkeuren, toezicht houden op de uitvoering daarvan en passende kennis en training hebben. Daarnaast moet ieder bestuurslid over voldoende en aantoonbaar actuele kennis en vaardigheden beschikken om cyberbeveiligingsrisico’s en de getroffen maatregelen te kunnen beoordelen. Bestuurders die niet aan deze verplichtingen voldoen, kunnen persoonlijk aansprakelijk worden gehouden voor schade die de organisatie daarodoor oplopen, een last onder dwangsom worden opgelegd, of een boete krijgen van maximaal EUR 25.000.

Welke incidenten moet mijn organisatie melden?

De meldplicht geldt voor zogenoemde “significante incidenten”. Daarvan is sprake als een incident de dienstverlening ernstig verstoort, financiële schade veroorzaakt of aanzienlijke (im)materiële schade bij andere organisaties kan veroorzaken. De concrete drempelwaarden kunnen per sector verschillen en worden in sectorspecifieke regelgeving nader ingevuld.

 

De melding wordt via het meldportaal van de NCSC aan zowel het toepasselijke CSIRT als de toezichthouder gestuurd en bestaat in beginsel uit drie fasen. Uiterlijk binnen 24 uur nadat een organisatie van het significante incident kennis heeft gekregen moet een vroegtijdige waarschuwing worden gedaan. Vervolgens moet uiterlijk binnen 72 uur na ontdekking een incidentmelding worden ingediend met een eerste beoordeling van de ernst en gevolgen. Ten slotte moet in beginsel binnen één maand na de incidentmelding een eindverslag worden verstrekt. Als het incident op dat moment nog voortduurt, wordt eerst een voortgangsverslag verstrekt en volgt het eindverslag binnen één maand nadat het incident is afgehandeld.

FAQ over de Digitale Operational Resilience Act (DORA)

Voor welke organisaties geldt de DORA?

De DORA is van toepassing op financiële entiteiten, waaronder banken, betaalinstellingen, verzekeraars, verzekeringstussenpersonen, beleggingsondernemers, handelsplatformen, en aanbieders van cryptodiensten.

 

Of de DORA op een organisatie van toepassing is, moet per entiteit worden beoordeeld. Daarbij is bepalend of de entiteit kwalificeert als één van de financiële entiteiten zoals genoemd in de DORA. Een vergunning, registratie of vrijstelling kan bij die beoordeling relevant zijn, maar is niet altijd doorslaggevend. De DORA bevat voor bepaalde financiële entiteiten een volledige uitzondering. Voor enkele andere categorieën geldt een vereenvoudigd ICT-risicobeheerkader in plaats van het reguliere kader.

Ik lever ICT-diensten aan een financiële instelling. Val ik daardoor zelf onder de DORA?

Een reguliere ICT-dienstverlener valt niet rechtstreeks onder de DORA omdat deze diensten levert aan een financiële instelling. De primaire verantwoordelijkheid voor de naleving van de DORA blijft bij de financiële entiteit. De financiële entiteit mag die verantwoordelijkheid ook niet contractueel aan de leverancier overdragen. De ICT-dienstverlener zal echter in de praktijk wel indirect met de DORA te maken krijgen. De financiële klant moet immers de ICT-risico’s van haar ICT-leveranciers in kaart brengen, beheersen en ervoor zorgen dat de overeenkomst aan de vereisten uit de DORA voldoet.

 

Van de ICT-dienstverlener kan onder meer worden verlangd dat hij passende beveiligingsmaatregelen toepast, ICT-incidenten tijdig aan de financiële entiteit meldt, informatie verstrekt over gegevens- en verwerkingslocaties, afspraken naleeft over beschikbaarheid, integriteit en vertrouwelijkheid van gegevens en meewerkt aan audits, beveiligingstesten en onderzoeken van toezichthouders. Ook kunnen afspraken nodig zijn over service levels, bedrijfscontinuïteit, herstel, de teruggave van gegevens, beëindiging van de dienstverlening en ondersteuning bij een overstap naar een andere dienstverlener.

 

Een ICT-dienstverlener moet niet alleen controleren of de vereiste onderwerpen formeel in de contractdocumentatie staan, maar ook beoordelen of de afspraken operationeel en commercieel uitvoerbaar zijn. Van belang is onder meer of de omschrijving van de diensten (en de vergoeding daarvoor) overeenkomt met wat feitelijk wordt geleverd, welke termijnen gelden voor het melden van incidenten, op welke locaties gegevens worden opgeslagen, en welke onderaannemers worden gebruikt. Ook moet duidelijk zijn welke beëindigings- en exitverplichtingen gelden, welke overgangsperiode wordt gehanteerd en wie de daarmee samenhangende kosten draagt.

 

Een ICT-dienstverlener kan daarnaast diensten leveren die een kritieke of belangrijke functie van een financiële entiteit ondersteunen. De financiële entiteit moet in dat geval wel aanvullende afspraken met de ICT-dienstverlener maken over onder meer nauwkeurige service levels, rapportageverplichtingen, en uitgebreide audit- en inspectierechten.

 

Het ondersteunen van een kritieke of belangrijke dienst moet worden onderscheiden van ICT-dienstverleners die door de Europese toezichthoudende autoriteiten worden aangewezen als kritieke ICT-dienstverleners. Voor hen geldt een rechtstreeks Europees toezichtskader. Momenteel zijn er negentien kritieke ICT-dienstverleners aangewezen door de Europese toezichthoudende autoriteiten.

 

Audit- en inspectierechten verdienen bijzondere aandacht. Hoewel de DORA vereist dat financiële entiteiten effectieve toegangs-, inspectie- en auditrechten hebben, betekent dat niet noodzakelijk dat zij op ieder moment onbeperkte fysieke of technische toegang moet krijgen. Binnen het wettelijke kader kunnen afspraken worden gemaakt over onder meer voorafgaande kennisgeving, beveiliging en vertrouwelijkheid, de reikwijdte en frequentie van audits, het gebruik van onafhankelijke auditrapporten, gezamenlijke audits en de bescherming van gegevens van andere klanten. Voor ICT-diensten die kritieke of belangrijke functies ondersteunen, mogen dergelijke afspraken de effectieve uitoefening van de rechten van de financiële entiteit, haar bevoegde autoriteit of een door hen aangewezen derde niet belemmeren.

 

Bij onderaanneming geldt een aanvullend aandachtspunt. Als een ICT-dienstverlener een ICT-dienst die een kritieke of belangrijke functie, of een wezenlijk onderdeel daarvan, ondersteunt geheel of gedeeltelijk door een onderaannemer laat uitvoeren, moet de financiële entiteit de risico’s daarvan kunnen beoordelen en beheersen. In de overeenkomst moet daarom duidelijk worden vastgelegd of onderaanneming is toegestaan en zo ja, onder welke voorwaarden. De ICT-dienstverlener moet daarnaast waarborgen dat de relevante verplichtingen uit zijn overeenkomst met de financiële entiteit ook gelden voor de betrokken onderaannemers.

Ik val onder de DORA en de Cyberbeveiligingswet. Aan welke regels moet ik voldoen?

Voor financiële entiteiten die onder zowel de DORA als de Cyberbeveiligingswet vallen, geldt de DORA als de specifieke regeling voor de financiële sector. Voor onderwerpen die in beide regelingen voorkomen, zoals het beheersen van ICT-risico’s en het melden van incidenten, moet daarom in beginsel aan de verplichtingen van de DORA worden voldaan. De DORA geeft daarmee voor een belangrijk deel invulling aan de overeenkomstige verplichtingen uit de Cyberbeveiligingswet.

 

Dit betekent echter niet dat de Cyberbeveiligingswet helemaal niet meer relevant is. Voor verplichtingen die niet of niet volledig door de DORA worden geregeld, kunnen aanvullende vereisten uit de Cyberbeveiligingswet gelden. Denk bijvoorbeeld aan de registratieplicht en, afhankelijk van de omstandigheden, de meldroute voor incidenten. Een financiële entiteit moet daarom per verplichting nagaan welke regeling van toepassing is en of een incident bij de toepasselijke toezichthouder moet worden gemeld.