De toewijzings­maatstaf bij het verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht

Meer artikelen over:Cassatie
Asmara Kalter
Asmara Kalter Advocaat

Gelijk hebben is iets anders dan gelijk krijgen. En rechters weten veel, maar niet alles. Bij gerechtelijke procedures kan dit wezenlijke (bewijs)problemen opleveren. Partijen kunnen daar op anticiperen met een verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht. Op 30 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:482) heeft de Hoge Raad zich in het Verzoekster/Stichting Maasstad Ziekenhuis c.s.-arrest (opnieuw) uitgelaten over de daarvoor geldende toewijzingsmaatstaf.

Voorlopig deskundigenbericht

Partijen bij een geschil moeten erop bedacht zijn dat de rechter ‘slechts’ juridisch expert is. Het kan dan ook voorkomen dat de rechter moet oordelen over feiten of omstandigheden die bijzondere kennis of expertise vergen, maar waarover hij zelf niet beschikt. Veelal komt het in dat geval aan op het door de partijen aangeboden en ingebrachte bewijs. De rechter zal dit bewijs gaan waarderen en op basis daarvan uitspraak doen.

Vooruitlopend op de rechterlijke bewijswaardering kan een partij vóór of tijdens een procedure een verzoek indienen voor een zogeheten voorlopig deskundigenbericht (artikel 202 Rv). Bij toewijzing van dit verzoek wordt een deskundigenonderzoek bevolen, waarbij de aan te wijzen deskundige zich uitlaat over vragen en relevante feiten en omstandigheden die essentieel zijn voor een beslissing over het geschil. De gedachte hierachter is dat een partij met een voorlopig deskundigenbericht beter zou kunnen beoordelen of het raadzaam is een procedure te beginnen of voort te zetten.

In de praktijk wordt het voorlopig deskundigenbericht veelvuldig gebruikt in aanstaande en lopende procedures over letselschade, beroepsfouten en -normen, de bepaalde (fysieke, technische of psychische) toestand van een zaak of persoon en de waardebepaling van zaken en vermogensrechten.

De toewijzingsmaatstaf

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de rechter een verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht in principe moet toewijzen, mits het daartoe strekkende verzoek:

  1. ter zake dienend is;
  2. voldoende concreet is;
  3. feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden.

Een verzoek tot een voorlopig deskundigenonderzoek kan daarnaast worden afgewezen als het verzoek in strijd is met een goede procesorde, de bevoegdheid daartoe misbruikt wordt, de verzoeker bij toewijzing onvoldoende belang heeft of het verzoek afstuit op een ander door de rechtbank zwaarwichtig geoordeeld bezwaar. Er is dus slechts een beperkt aantal afwijzingsgronden bij een verzoek tot een voorlopig deskundigenonderzoek.

De feiten

In zijn arrest van 30 maart 2018 heeft de Hoge Raad zich nader uitgesproken over de toewijzingsmaatstaf.

In deze zaak wenste een patiënte een verklaring voor recht te krijgen dat Stichting Maasstad Ziekenhuis en één van haar chirurgen aansprakelijk waren voor door de patiënte geleden schade. De schade zou het gevolg zijn van een onjuiste medische behandeling van de linkerduim van de patiënte met zenuwletsel en psychische gezondheidsklachten tot gevolg. De patiënte verweet de chirurg dat hij te snel zou zijn overgegaan tot een operatieve ingreep, zonder voldoende voorlichting te hebben gegeven over de ingreep, de risico’s daarvan en alternatieven te hebben besproken. Hierdoor zou de chirurg de norm van goed hulpverlenerschap (artikel 7:452 BW) en de medische informatieverplichting (artikel 7:448 BW) hebben geschonden. De vraag of de chirurg een (medische) fout had gemaakt bij de uitvoering van de operatieve ingreep, stond niet ter discussie.

In eerste aanleg kreeg de patiënte ongelijk. Om haar gelijk alsnog aan te tonen, verzocht zij in hoger beroep om een voorlopig deskundigenbericht. De deskundige zou volgens de patiënte kunnen beoordelen of de chirurg te snel was overgegaan tot het verrichten van de ingreep en welke informatie de chirurg vooraf had moeten verstrekken en bespreken. Het Hof wees dit verzoek af, omdat het niet “ter zake dienend” zou zijn. Het verzoek zou namelijk niet zien op de vordering van de patiënte, namelijk het laten vaststellen van een fout van de chirurg bij de operatieve ingreep.

Oordeel Hoge Raad

De redenatie van het Hof ging in cassatie onderuit. Volgens de Hoge Raad zag het beoogde deskundigenonderzoek op de vragen of de chirurg te snel was overgegaan tot het verrichten van de ingreep en welke informatie hij vooraf had moeten verstrekken en bespreken. Dat ziet volgens de Hoge Raad juist op de aan de vordering ten grondslag liggende verwijten, namelijk dat de chirurg de norm van goed hulpverlenerschap en de medische informatieverplichting zou hebben geschonden. Anders dan het Hof had geoordeeld, zag de vordering van de patiënte volgens de Hoge Raad dus niet op het laten vaststellen van een (medische) fout van de chirurg bij het uitvoeren van de operatieve ingreep. Het Hof had het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht dan ook op ondeugdelijke grond afgewezen.

Conclusie

Bij een verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht moet goed worden gekeken naar de vragen die de deskundige dient te beantwoorden in verhouding tot de vordering en de daaraan ten grondslag liggende verwijten. Het arrest van 30 maart 2018 bevestigt dat de rechter weinig vrijheid heeft om een verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht af te wijzen. Een partij wiens verzoek wordt afgewezen, doet er dan ook goed aan te verifiëren of dit op deugdelijke gronden is gedaan.