Kan een verklaring voor recht tot een executoriale titel leiden?

Een schuldeiser kan conservatoir beslag leggen op het vermogen van de schuldenaar ter verzekering van betaling van een vordering. Het ligt dan ook voor de hand dat de schuldeiser in de daaropvolgende ‘eis in de hoofdzaak’ een veroordeling tot betaling eist, waarmee het beslag kan worden uitgewonnen. Met een dergelijke veroordeling beschikt de schuldeiser immers over een executoriale titel, nu de schuldenaar zwart-op-wit – vergezeld van een blauwe stempel – is veroordeeld tot het betalen van een bepaald geldbedrag.

Maar wat als een schuldeiser in de hoofdzaak geen veroordeling tot betaling vordert, maar slechts een verklaring voor recht? Kan een verklaring voor recht wel een executoriale titel opleveren? Kan een verklaring voor recht überhaupt wel worden gezien als een correcte eis in de hoofdzaak? De Hoge Raad heeft zich in een recent arrest over deze vraagstukken gebogen.[1]  

Van een veroordeling tot betaling naar een verklaring voor recht

Lisman en Lisman B.V. (hierna: “Lisman”) heeft in 2004 een kantoorpand verhuurd aan Rentec B.V. (hierna: “Rentec”). Aan het roer van Rentec staat één bestuurder (hierna: de “Bestuurder”).

Op enig moment in 2004 heeft Lisman conservatoir beslag gelegd op een pand van de Bestuurder. Daaropvolgend is Lisman een procedure gestart tegen zowel Rentec als de Bestuurder (op grond van externe bestuurdersaansprakelijkheid). Hierin vorderde Lisman onder meer betaling van bepaalde openstaande vorderingen (de hoofdzaak).

In 2007 heeft de kantonrechter de vorderingen tegen Rentec toegewezen en haar veroordeeld tot betaling van de gevorderde geldsommen. De vorderingen tegen de Bestuurder heeft de rechtbank daarentegen afgewezen. Rentec heeft echter niet voldaan aan de inhoud van het vonnis. Sterker nog: in augustus 2008 is zij door de Kamer van Koophandel ontbonden.

Lisman is tegen het vonnis in hoger beroep gegaan. Hierin heeft zij echter enkel de Bestuurder betrokken. Daarnaast heeft Lisman in hoger beroep haar eis gewijzigd. In plaats van de veroordeling tot betaling die zij in eerste aanleg had geëist, vorderde Lisman in hoger beroep een verklaring voor recht dat de Bestuurder hoofdelijk aansprakelijk was voor al hetgeen waartoe Rentec was veroordeeld, welke eis uiteindelijk in december 2009 door het hof wordt toegewezen.[2]

De renvooiprocedure

Gedurende het hoger beroep is het beslagen pand van de Bestuurder ondershands verkocht. De resterende opbrengst na aflossing van de hypotheek is bij een notaris in depot gebleven. Met de uitspraak van het hof in de hand meende Lisman aanspraak te hebben op de opbrengst in depot. De Bestuurder dacht hier anders over. Uiteindelijk zijn partijen hierover in 2017 verzeild geraakt in een renvooiprocedure: de onderhavige procedure. In deze renvooiprocedure vorderde Lisman een verklaring voor recht dat zij aanspraak had op de gelden in depot op grond van de verklaring voor recht uit het arrest in de hoofdzaak.

De rechtbank wees de vorderingen van Lisman grotendeels toe. Ook het hof oordeelde dat Lisman aanspraak maakte op het depot bij de notaris. Daarbij overwoog het hof dat de gewijzigde eis in de hoofdzaak om een verklaring voor recht te geven in plaats van een veroordeling tot betaling, in feite neerkwam op een vermindering van eis. Uit deze resterende eis in de hoofdzaak mocht de Bestuurder in redelijkheid niet concluderen dat Lisman haar eis en beslagvordering niet langer handhaafde of introk. Ook bracht dit geen verval van het conservatoir beslag mee, noch werd deze opgeheven, zo overwoog het hof. De Bestuurder was het hier niet mee eens en klopte aan bij ons hoogste rechtscollege.

Veronderstellingen van de Bestuurder

In cassatie klaagde de Bestuurder hoofdzakelijk over de oordelen ten aanzien van het ‘karakter’ van de verklaring voor recht uit de hoofdzaak. De Bestuurder stelde dat (i) door de eis in de hoofdzaak te wijzigen naar een verklaring voor recht, het conservatoire beslag niet was vervolgd en daardoor zou zijn vervallen. Daarnaast stelde de Bestuurder dat (ii) de vordering van Lisman was verjaard, nu het arrest in de hoofdzaak in 2010 in kracht van gewijsde was gegaan zonder dat daarbij de initiële vordering tot betaling was toegewezen. Hierdoor zou de vordering zes maanden daarna zijn verjaard.[3]

Aan de standpunten van de Bestuurder lag de veronderstelling ten grondslag dat de gegeven verklaring voor recht in de hoofdzaak geen executoriale titel kon opleveren. Immers, de Bestuurder was niet veroordeeld tot betaling (‘condemnatoir’) – er was slechts sprake van een verklaring voor recht dat de Bestuurder hoofdelijk aansprakelijk was (‘declaratoir’). Daarmee veronderstelde de Bestuurder ook dat een verklaring voor recht dus überhaupt niet als een eis in de hoofdzaak kon dienen, nu de vereiste executoriale titel niet zou kunnen worden verkregen.

Oordeel Hoge Raad

Onjuiste veronderstellingen, zo oordeelde de Hoge Raad. Een verklaring voor recht kon volgens de Hoge Raad in bepaalde gevallen wel degelijk een executoriale titel opleveren. Hierdoor kon een vordering tot een verklaring voor recht (dus) ook worden aangemerkt als een eis in de hoofdzaak.

De Hoge Raad overwoog dat in geval van conservatoir beslag een executoriale titel in principe wordt verkregen doordat de beslagdebiteur wordt veroordeeld tot voldoening van die vordering. Echter, volgens de Hoge Raad was het niet uitgesloten dat de beslaglegger volstaat met een eis in de hoofdzaak die strekt tot vaststelling van de gegrondheid en de omvang van zijn vorderingsrecht.[4] Toewijzing van de eis in de hoofdzaak levert volgens de Hoge Raad dan een executoriale titel op, als met die vaststelling duidelijk is dat de beslaglegger daadwerkelijk aanspraak kan maken op betaling. Deze duidelijkheid kon er volgens de Hoge Raad ook in bestaan dat in de uitspraak wordt vastgesteld dat de beslagdebiteur hoofdelijk aansprakelijk is voor hetgeen waartoe een andere partij al eerder werd veroordeeld.[5]

Vervolgens maakte de Hoge Raad korte metten met de cassatieklachten. De Hoge Raad overwoog dat het hof al eerder (onbestreden) had vastgesteld dat de Bestuurder uit de resterende eis in de hoofdzaak in redelijkheid niet mocht concluderen dat Lisman haar eis en beslagvordering niet langer handhaafde of introk. Daarmee had het hof kennelijk tot uitdrukking gebracht dat het de Bestuurder duidelijk moest zijn geweest dat de eis van Lisman strekte tot vaststelling dat Lisman daadwerkelijk aanspraak kon maken op betaling van de vordering waarvoor zij beslag had gelegd. Dit bracht dus mee dat het arrest in de hoofdzaak een executoriale titel oplevert voor de vordering waarvoor Lisman ten laste van de Bestuurder beslag had gelegd. Deze vordering had volgens de Hoge Raad, gelet op de twintigjarige verjaringstermijn voor de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken (art. 3:324 lid 1 BW), haar afdwingbaarheid ook nog niet verloren.[6]

De Hoge Raad kwam tot de slotsom dat de klachten faalden en verwierp het cassatieberoep. Uiteindelijk had Lisman dus aanspraak op de gelden in depot op grond van de verklaring voor recht uit het arrest in de hoofdzaak.

Conclusie

De Hoge Raad heeft in dit arrest verduidelijkt dat er in geval van conservatoir beslag ook een executoriale titel kan worden verkregen met een verklaring voor recht. Vereist is dat het duidelijk is dat de beslaglegger met deze verklaring voor recht daadwerkelijk aanspraak kan maken op betaling. Dit betekent dus ook dat een verklaring voor recht een correcte eis in de hoofdzaak kan zijn, zolang met de eis ook de gegrondheid en de omvang van het vorderingsrecht maar wordt vastgesteld.

Al met al is het arrest van de Hoge Raad een interessante. Gevoelsmatig ligt het niet voor de hand dat een verklaring voor recht – een vaststelling van de rechtstoestand – een executoriale titel op kan leveren. De klachten van de Bestuurder in cassatie waren in dat opzicht dan ook begrijpelijk. Toch lijkt de Hoge Raad uit te gaan van een praktische benadering: het gaat er om dat het duidelijk is dat de beslaglegger aanspraak kan maken op betaling – in wat voor ‘soort’ uitspraak dit is gegoten, is slechts van beperkt belang.

Desondanks valt het niet te verwachten dat de uitspraak grote gevolgen zal hebben voor de praktijk. Het arrest zag op een vrij specifieke situatie, nu er al een andere partij onherroepelijk was veroordeeld tot betaling en de hoogte van de vordering (daarmee) ook in rechte vaststond. Daarbij is het nog maar de vraag wanneer een verklaring voor recht in andere situaties als voldoende duidelijk kan worden aangemerkt. Het verdient dus nog altijd aanraden om de eis in de hoofdzaak in te steken als een veroordeling tot betaling – al dan niet vergezeld met een vordering tot een verklaring voor recht.

[1]     HR 25 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:298.

[2]     Hof Arnhem 22 december 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BM1524.

[3]     Zie art. 3:316 lid 2 BW.

[4]     Vgl. o.a. HR 11 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:164, rov. 3.2.3, waaraan wij eerder aandacht hebben besteed.

[5]     Rov. 3.2.3.

[6]     Rov. 3.2.4.