HR 9 september 2022: redelijke kosten ter vaststelling van schade komen dwingendrechtelijk ten laste van de verzekeraar

In zijn recente arrest van 9 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1174) oordeelt de Hoge Raad dat de door/ten behoeve van een verzekerde consument gemaakte redelijke kosten ter vaststelling van schade dwingendrechtelijk ten laste van de verzekeraar komen.

Het geschil

Aan het arrest liggen de volgende feiten ten grondslag. Eiser is in 2015 betrokken geraakt bij een verkeersongeval, waarbij hij op zijn motor is aangereden door een automobilist. Ten tijde van het ongeval had hij een zogenaamde ‘combipolis’ bij zijn verzekeringsmaatschappij, waaronder zowel een rechtsbijstandsverzekering bij Arag als een motorverzekering (schadeverzekering voor opzittenden) vielen. Na het ongeval neemt de verzekerde eerst contact op met Arag, maar besluit vervolgens zelf een advocaat in te schakelen. Nadat deze advocaat de zaak van Arag heeft overgenomen, laat de verzekeringsmaatschappij hem weten dat de polisvoorwaarden aan vergoeding van buitengerechtelijke kosten in de weg staan. De verzekeringsmaatschappij stelt dat de verzekerde recht had op juridische bijstand bij Arag en dat uit de polisvoorwaarden volgt dat geen aanspraak op vergoeding bestaat wanneer de verzekerde geheel of gedeeltelijk recht heeft op vergoeding krachtens een andere verzekering (ook wel bekend als de ‘na-u-clausule’).

Eiser vordert vervolgens een verklaring voor recht dat de verzekeringsmaatschappij gehouden is de buitengerechtelijke kosten, die hij in verband met het ongeval moet maken, te vergoeden. Hij voert daartoe aan dat de kosten op grond van art. 7:959 lid 1 BW voor rekening van de verzekeringsmaatschappij komen en dat afwijking daarvan ingevolge art. 7:963 lid 6 BW niet is toegestaan.

Procedure in feitelijke instanties

Zowel rechtbank als hof wijzen de vordering af. Volgens het hof heeft de verzekerde, door na te laten een nadere toelichting op de declaraties te geven, onvoldoende onderbouwd dat zijn advocaat kosten heeft gemaakt als bedoeld in art. 7:959 lid 1 BW.

Het hof beantwoordt vervolgens de vraag of de kosten mogelijk kwalificeren als andere, in art. 6:96 lid 2 BW genoemde, kostensoorten (zoals redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte). Daartoe buigt het hof zich over de uitleg van de polisvoorwaarden. Het oordeelt dat – zelfs als recht wordt gedaan aan de contra proferentem-regel – een redelijke uitleg van het de ‘na-u-clausule’ ertoe strekt geen uitkering te doen als uit anderen hoofde aanspraak op vergoeding bestaat. Het feit dat Arag daadwerkelijk dekking bood, bevestigt volgens het hof dat de verzekerde krachtens een andere verzekering aanspraak op vergoeding kon maken. Het hof wijst de vordering dan ook af.[1]

Kosten ter vaststelling van de schade

De verzekerde richt in cassatie – met succes – een motiveringsklacht tegen het oordeel dat onvoldoende onderbouwd is gesteld dat hij (redelijke) kosten in de zin van art. 7:959 lid 1 BW heeft gemaakt. De Hoge Raad oordeelt dat voor wat betreft het medisch advies en het opmaken van de schadestaat niet valt in te zien op welke kosten die anders zouden kunnen zien dan op kosten ter vaststelling van de hoogte van de letselschade. Het oordeel van het hof dat bij deze kosten niet kan worden vastgesteld dat sprake is van kosten die onder art. 7:959 lid 1 BW vallen, is volgens de Hoge Raad dan ook onbegrijpelijk.[2]

Het kan, naar mijn mening, niet als een verrassing worden gezien dat de klacht slaagt. De verzekerde had immers letsel opgelopen door het verkeersongeluk, als gevolg waarvan medisch advies moest worden ingewonnen en een schadestaat moest worden opgesteld.[3]

Dwingendrechtelijk karakter

Interessanter voor de praktijk is het incidentele cassatieberoep, waarmee de vraag is voorgelegd of de redelijke kosten voor het vaststellen van schade altijd dwingendrechtelijk ten laste van de verzekeraar komen.

De verzekeringsmaatschappij klaagt in cassatie dat het hof uit is gegaan van de onjuiste rechtsopvatting dat, indien sprake zou zijn van redelijke kosten in de zin van art. 7:959 lid 1 BW, deze kosten dwingendrechtelijk onder de verzekering vallen. Volgens de verzekeringsmaatschappij heeft de wetgever niet bepaald dat de redelijke kosten tot het vaststellen van de schade altijd onder de verzekeringsovereenkomst vallen, maar slechts dat – als uit de polisvoorwaarden een aanspraak op vergoeding van deze redelijke kosten voortvloeit en als die aanspraak niet van dekking is uitgesloten – de kosten ook vergoed moeten worden wanneer daardoor de verzekerde som wordt overschreden. De verzekeringsmaatschappij klaagt hiermee in feite dat het hof eerst op basis van de polisvoorwaarden (en in het bijzonder de ‘na-u-clausule’) had moeten vaststellen of de kosten onder de verzekeringsovereenkomst gedekt waren en daarna pas toe had mogen komen aan de vraag of sprake was van redelijke kosten in de zin van art. 7:959 lid 1 BW.

De Hoge Raad verwerpt deze klacht door te oordelen dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat in art. 7:959 lid 1 BW aansluiting is gezocht bij art. 6:96 lid 2 sub b BW, op grond waarvan de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komen. Daaruit volgt dat de kosten als bedoeld in art. 7:959 lid 1 BW ten laste van de verzekeraar komen, ongeacht of daarmee de verzekerde som wordt overschreden. Op grond van art. 7:963 lid 6 BW kan vervolgens niet ten nadele van de verzekerde consument van art. 7:959 lid 1 BW worden afgeweken voor zover de kosten niet het bedrag overschrijden dat gelijk is aan de verzekerde som.[4]

Ook de klacht dat ‘redelijke kosten’ slechts kunnen zien op kosten die door de verzekeraar zijn gemaakt, wordt verworpen. De door de verzekerde of verzekeringsnemer gemaakte kosten moeten dus ook worden vergoed.[5]

Betekenis voor de praktijk: kosten ten laste van de verzekeraar

De door/ten behoeve van de verzekerde gemaakte redelijke kosten ter vaststelling van de schade komen, op grond van art. 7:959 lid 1 BW, aldus ten laste van de verzekeraar. Daarbij is niet relevant wie de kosten heeft gemaakt. Bij niet-consumenten (verzekeringnemers die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf) mogen verzekeraars in hun polisvoorwaarden van art. 7:959 lid 1 BW afwijken door op te nemen dat de kosten ter vaststelling van de schade ten laste van de verzekeringsnemer of verzekerde komen. Uit dit recente arrest blijkt dat, voor zover de kosten niet het bedrag overschrijden dat gelijk is aan de verzekerde som, een dergelijke afwijking bij consumenten niet is toegestaan. Hoewel de Hoge Raad het niet met zoveel woorden zegt, volgt hieruit ook dat een verzekeraar bij particulieren geen beroep kan doen op een ‘na-u-clausule’ om vergoeding van redelijke schadevaststellingskosten (die niet meer bedragen dan een bedrag gelijk aan de verzekerde som) te weigeren.

 

[1] Zie HR 9 september 2022, rov. 2.3.

[2] Rov. 4.2.

[3] Zie in dit kader ook de Conclusie van A-G Lindenbergh bij het arrest, ECLI:NL:PHR:2022:42, nr. 5.10.

[4] Rov. 3.4.

[5] Rov. 3.3.