Documenten opvragen: de Hoge Raad schept duidelijkheid. Althans, voor nu…?

Meer artikelen over:Corporate litigation

Artikel 843a Rv geeft een partij de mogelijkheid om bij een ander – kort samengevat – documenten op te vragen. Dat kan bijvoorbeeld gaan om privé e-mails waaruit zou blijken dat een bestuurder de vennootschap waar hij bestuurder van was heeft opgelicht. Allerlei voorbeelden zijn denkbaar.

Artikel 843a Rv somt de voorwaarden op waaronder een partij een ander kan verplichten hem dergelijke documenten te geven. Een belangrijk discussiepunt daarbij is altijd in hoeverre de partij die die documenten wil (in mijn voorbeeld: de vennootschap), al moet onderbouwen dat de vennootschap daadwerkelijk door die bestuurder is opgelicht. In hoeverre moet de ‘rechtsbetrekking’ al vast staan?

Een grijs gebied

Dat is een grijs gebied. Te hoge eisen stellen, zou artikel 843a Rv zinledig maken. Waarom zou de vennootschap nog e-mails nodig hebben als zij de fraude al kan aantonen? Te lage eisen stellen zou fishing expeditions in de hand werken. De vennootschap kan dan met een nauwelijks onderbouwd beroep op ‘fraude’ de privé e-mailbox van de oud-bestuurder laten doorspitten in de hoop iets interessants te vinden.

In IE-kwesties had de Hoge Raad in een arrest uit 2015 al een maatstaf geformuleerd voor de vereiste aannemelijkheid (art. 1019a Rv in verbinding met 843a Rv). Afgelopen vrijdag heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat de in die uitspraak geformuleerde maatstaf ook in algemene zin voor artikel 843a Rv geldt (ook voor niet-IE kwesties).

Maatstaf volgens Hoge Raad in artikel 843a Rv kwesties

De maatstaf is volgens de Hoge Raad
als volgt:

“3.1.4
Ook buiten het terrein van inbreuk op intellectuele eigendomsrechten en het onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van bedrijfsgeheimen heeft als maatstaf voor de beoordeling van een vordering op de voet van art. 843a Rv te gelden dat het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de vordering ziet, voldoende aannemelijk moet zijn. Die maatstaf stelt de rechter in staat een evenwicht te vinden tussen het belang van eiser of verzoeker om de waarheid te kunnen achterhalen en zijn bewijspositie te versterken, en het belang van verweerder om geen vertrouwelijke informatie prijs te hoeven geven en om verschoond te blijven van de ingrijpende maatregel die exhibitie niet zelden is. Die maatstaf biedt de rechter voorts voldoende ruimte om rekening te houden met de aard van het onderliggende geschil en de overige omstandigheden van het geval, waaronder de omvang van de gevorderde exhibitie en de mogelijkheid om het bestaan van de gestelde vordering met andere bewijsmiddelen te onderbouwen. Degene die inzage, afschrift of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt om een door hem vermoede tekortkoming of onrechtmatige daad te kunnen aantonen, zal derhalve gemotiveerd zodanige feiten en omstandigheden dienen te stellen en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal moeten onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat die tekortkoming of onrechtmatige daad zich heeft voorgedaan of dreigt voor te doen.

3.1.5
Overeenkomstig de hiervoor in 3.1.3 bedoelde arresten geldt voorts dat de vraag wat in het kader van een vordering uit hoofde van art. 843a Rv bij een gestelde tekortkoming of onrechtmatige daad als een ‘voldoende’ mate van aannemelijkheid kan worden beschouwd, niet in algemene zin kan worden beantwoord. Het komt steeds aan op een waardering van de stellingen en verweren van partijen en de overtuigingskracht van het eventueel reeds overgelegde bewijsmateriaal. Daarbij is enerzijds uitgangspunt dat niet behoeft te zijn voldaan aan de mate van aannemelijkheid die is vereist voor toewijzing in kort geding van een op (dreigend) tekortschieten of onrechtmatig handelen gebaseerde (ge- of verbods)vordering of vordering tot schadevergoeding; anderzijds dienen aan de mate van aannemelijkheid van de gestelde tekortkoming of onrechtmatige daad bij de beoordeling van een inzagevordering hogere eisen te worden gesteld dan bij de beoordeling van een verzoek tot het in beslag mogen nemen van bewijsmateriaal.”

Zoals wel vaker, komt het dus nog steeds neer op de concrete kwestie en wordt veel overgelaten aan de rechter, die belangen moet kunnen wegen. De maatstaf die de rechter moet opschrijven, is echter nu helder.

Wetsvoorstel Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht

Vraag is wel hoe lang die helderheid duurt. Op 18 juni 2020 is bij de Tweede Kamer het Wetsvoorstel Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht ingediend. In de memorie van toelichting wordt daarin juist opgemerkt dat de zogenoemde IE-maatstaf juist niet geldt in artikel 843a Rv kwesties. De wetgever meent immers blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2019/20, 35 498, nr. 3, p. 47):

“Gelet op het doel om opheldering van feiten te verkrijgen en geschillen zo effectief mogelijk op te lossen, moet het begrip <<partij bij een rechtsbetrekking>> ruim worden opgevat. Naar aanleiding van enkele consultatiereacties wordt opgemerkt dat de partij die om inzage verzoekt, niet eerst voldoende aannemelijk hoeft te maken dat zij een vorderingsrecht heeft, zoals in zaken van intellectuele eigendom (IE-zaken) is vereist. Die eis hangt samen met dit specifieke rechtsgebied en artikel 1019a dat de implementatie vormt van artikel 6 van de Handhavingsrichtlijn (Richtlijn 2004/48/EG, PbEG 2004, L 195/16).”

Het is dus afwachten of dit arrest van de Hoge Raad (van na de indiening van het wetsvoorstel), de wetgever nog op andere gedachten brengt. Mijns inziens zou de maatstaf zoals geformuleerd door de Hoge Raad prima overgenomen kunnen worden nu die niet strijdig lijkt te zijn met de visie van de wetgever. De door de Hoge Raad gehanteerde maatstaf biedt voldoende ruimte om “opheldering van feiten te verkrijgen en geschillen effectief op te lossen”.