Openbaar UBO-register raakt privacy belanghebbenden

Robert-Jan Zwaan
Robert-Jan Zwaan Notaris / partner / bestuurslid

Op het voorstel voor het inrichten van een centraal register van uiteindelijk belanghebbenden klinkt van vele kanten kritiek. Ook de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) heeft ernstige bedenkingen. Zo noemt ze de gedeeltelijke openbaarmaking van de gegevens ‘disproportioneel’.

Onlangs sloot de consultatie over het voorontwerp voor de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden. Het wetsvoorstel implementeert de Europese verplichting uit de vierde antiwitwasrichtlijn om een centraal register van uiteindelijk belanghebbenden in te richten, het zogheten UBO-register. Dit register treft circa anderhalf miljoen rechtspersonen en ondernemingen in Nederland en verplicht hen tot registratie van hun uiteindelijk belanghebbenden (ultimate beneficial owners, UBO’s) in het handelsregister. Ook de UBO’s zelf dienen mee te werken aan hun registratie.

Keuze

Verschillende organisaties, waaronder de KNB, VNO-NCW en MKBNederland hebben fundamentele kritiek op het wetsvoorstel. Het belangrijkste kritiekpunt betreft de keuze van het kabinet om het register gedeeltelijk openbaar te maken. Hierdoor worden bepaalde persoonlijke gegevens van UBO’s voor een ieder toegankelijk. Het gaat dan om de volgende gegevens: naam, geboortemaand en -jaar, nationaliteit, woonstaat en aard en omvang van het door de UBO gehouden economische belang in de betreffende onderneming (in bandbreedtes van 25, 50, 75 en 100 procent). Met die keuze gaat het kabinet op een essentieel onderdeel verder dan de richtlijn voorschrijft. De KNB betitelt deze keuze in haar reactie, ook namens de Vereniging van Notarieel Ondernemingsrecht Specialisten (VOC), als disproportioneel.

Volgens de KNB gaat Nederland met de gedeeltelijke openbaarmaking van de gegevens van eigenaren verder dan Europa vraagt, zonder dat daarvoor goede argumenten worden gegeven. 

VNONCW en MKB-Nederland menen dat de richtlijn zelf niet (langer) in overeenstemming is met het EUrecht én dat het aannemelijk is dat het wetsvoorstel een ongerechtvaardigde inbreuk vormt op de privacy en bescherming van persoonsgegevens van UBO’s. In de toelichting op het wetsvoorstel is namelijk geen steekhoudende onderbouwing opgenomen voor de keuze het UBOregister gedeeltelijk openbaar te maken. Ook ontbreekt een analyse of het doel van het wetsvoorstel, te weten terrorisme- en fraudebestrijding, niet nagestreefd kan worden door informatie over UBO’s alleen te delen met opsporingsdiensten.

Een ander kritiekpunt betreft de terugmeldplicht voor instellingen die vallen onder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), zoals accountants, advocaten en notarissen. Dit houdt in dat zij verplicht zijn om een melding te doen aan het handelsregister in het geval zij gerede twijfel hebben over de juistheid van bepaalde UBO-informatie of het ontbreken hiervan. Door de terugmeldplicht worden Wwftinstellingen mede verantwoordelijk voor de inhoud van het UBOregister. Het probleem hierbij is dat deze instellingen niet altijd met 100 procent zekerheid kunnen vaststellen wie wel en wie geen UBO is en of hun informatie actueel en juist is. Dat wordt nog lastiger nu het wetsvoorstel een nieuwe, ruimere definitie van UBO introduceert dan reeds in de wet- en regelgeving gedefinieerd is. De terugmeldplicht staat bovendien op gespannen voet met de geheimhoudingsplicht van notarissen en andere Wwft-instellingen. De KNB maakt om die reden bezwaar tegen de invoering van de terugmeldplicht en ook VNO-NCW en MKB-Nederland verzoeken de terugmeldplicht te schrappen.

Parlementair proces

Veel organisaties, waaronder de KNB, hebben ook moeite met de gekozen wetgevingssystematiek. Het kabinet is voornemens belangrijke onderdelen van het UBO-register, waaronder de definitie van UBO, te regelen in een algemene maatregel van bestuur. Deze belangrijke onderdelen dienen in de wet te worden opgenomen, zodat die onderdeel zijn van een zorgvuldig parlementair proces. Ten aanzien van onderdelen die wel bij amvb worden geregeld, dient een voorhangprocedure te worden ingelast met een kenbare en reële voorhangtermijn, zodat hierover ook een parlementair debat kan plaatsvinden.

Daarnaast hechten veel organisaties aan het bestaan van een level playing field binnen de EU, ook waar het het UBO-register betreft. Door in Nederland te kiezen voor de openbaarheidsvariant zal daar naar het zich laat aanzien geen sprake van zijn. Er bestaat daardoor een reëel risico dat veel Nederlandse (familie) bedrijven hun vennootschappelijke structuur al dan niet gedeeltelijk zullen verplaatsen naar jurisdicties waar het UBO-register niet volledig openbaar zal zijn. Door deze keuze zal Nederland als vestigingsland aan aantrekkelijkheid inboeten.

EU-recht

Kortom, de kritiek is niet van de lucht en naar onze mening is dit terecht. VNO-NCW en MKB-Nederland gaan intussen ervan uit dat het kabinet het wetsvoorstel aanhoudt, totdat de Europese Commissie de richtlijn in overeenstemming heeft gebracht met het EU-recht.

Dit artikel verscheen op dinsdag 23 mei 2017 in de opinierubriek van de Staatscourant.  Het artikel is geschreven door Robert-Jan Zwaan, Laurens Kelterman en Corrine Holdinga. Zij vertegenwoordigen de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie en de Vereniging van Notarieel Ondernemingsrecht Specialisten.