Wijziging van een overeenkomst
1 augustus 2025
Leestijd: 6 minuten

Wijziging van een overeenkomst: exit aanvullende werking en exit ‘dynamische uitleg’?

Belangrijk arrest voor het commerciële contractenrecht: rechtszekerheid troef

Het arrest DPD/Get Moving c.s. (HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:763) is een belangrijke uitspraak voor het commerciële contractenrecht. Wijziging van een contractuele bepaling kan alleen op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (of een species daarvan als de regeling van onvoorziene omstandigheden, art. 6:258 BW), maar niet op grond van de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW) of een uitwerking daarvan als ‘dynamische uitleg’ (hetgeen, anders dan de beperkende werking, geen strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf is). Het arrest DPD/Get Moving c.s. draagt aldus bij aan de rechtszekerheid van het Nederlandse commerciële contractenrecht.

Feiten, oordelen Hof en HR

Get Moving c.s. vervoerde jarenlang (8, resp. 10 jaar) op grond van stilzwijgend verlengde jaarcontracten pakketjes in opdracht van DPD. Eind november 2018 heeft DPD de overeenkomsten opgezegd per 1 januari 2019 op grond van de contractuele opzegtermijn van 1 maand. Het hof heeft die contractuele opzegtermijn van 1 maand te kort geoordeeld en een opzegtermijn van 3 maanden aanvaard. De juridische grondslag vond het hof in de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW). Volgens het hof bevatten de contracten een leemte, omdat in de opzeggingsregeling niet is vermeld onder welke omstandigheden de overeenkomsten opgezegd mogen worden. Het hof oordeelde dat de samenwerking van partijen sinds het begin ervan in 2008, respectievelijk 2011, flink is uitgebreid. Get Moving c.s. waren daardoor meer afhankelijk van DPD geworden, zodat zij hun bedrijfsvoering redelijkerwijs niet konden aanpassen binnen de contractuele opzegtermijn van 1 maand. Het hof onderstreept het belang van een aangepaste uitleg van de overeenkomsten op het punt van de opzegregeling vanwege de sterk veranderde omstandigheden. Het hof past hier kennelijk de zogenaamde ‘dynamische uitleg’ toe (met als grondslag de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid). ‘Dynamische uitleg’ van contracten – vooral gepromoot door Lodewijk Valk – omvat het vaststellen van de inhoud van de overeenkomst aan de hand van de latere uitvoering van een overeenkomt. Zie daarover mijn Commercieel contractenrecht, 2022, p. 370-373.

De Hoge Raad vernietigt ’s hofs oordeel in klare taal (waar de A-G dit oordeel in orde vond). Volgens de Hoge Raad had het hof moeten onderzoeken of het beroep van DPD op de contractuele opzegtermijn van 1 maand naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was (art. 6:248 lid 2 BW). De Hoge Raad (rov. 3.4):

“In het wettelijk stelsel van art. 6:248 BW en art. 6:258 BW kan een contractuele bepaling niet op grond van alleen de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid op deze manier worden ‘uitgeschakeld’.(…)”

Commentaar:

Exit aanvullende werking en dynamische uitleg voor contractswijziging

De – overigens interessante – algemene oordelen van de Hoge Raad in het DPD-arrest over opzegging van overeenkomsten bespreek ik hier niet. Waar het mij hier om gaat is dat het DPD-arrest een duidelijk signaal geeft dat een contractsbepaling niet gewijzigd kan worden op grond van de aanvullende werking of een toepassing daarvan als ‘dynamische uitleg’. De hoge onaanvaardbaarheidsdrempel van de beperkende werking (waaronder onvoorziene omstandigheden) moet worden gehaald om een contractsbepaling te wijzigen.

Dynamische uitleg?

De Hoge Raad gaf in eerdere arresten meer ruimte voor een ‘dynamische uitleg’ van een contract om tot een wijziging daarvan te komen. Zo overweegt hij in het Inscharing-arrest (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2034, rov. 3.1.2) dat de vraag of op enig moment na het sluiten van een contract een oorspronkelijke contractspartij is vervangen door een andere partij afhangt van hetgeen partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijze mochten afleiden (de Haviltex maatstaf):

“(…) Niet uitgesloten is dat op enig moment na het sluiten van de overeenkomst een ander dan een van de oorspronkelijke contractspartijen in plaats van die oorspronkelijke contractspartij dient te worden aangemerkt als contractspartij. De beantwoording van de vraag of op enig moment na het aangaan van de overeenkomst sprake is van een wijziging van een van de contractspartijen als hiervoor bedoeld, hangt eveneens af van hetgeen de betrokken partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijze mochten afleiden.”

Zie eerder HR 2 september 2011, NJ 2012, 75 (Dierenartsenmaatschap)(rov. 3.7.3).

De theoretische fundering van ‘dynamische uitleg’ wisselt: soms wordt het gezien als een toepassing van de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid (zoals het hof in de DPD-zaak aannam), soms als een stilzwijgende wijziging van een overeenkomst (art. 3:33, 35 en 37 BW), soms als een toepassing van uitleg. Die laatste grond is naar mijn mening theoretisch wat problematisch. Immers, het toetsingsmoment van uitleg is het moment van totstandkoming van het contract. Een van de letter afwijkende uitvoering van het contract kan een aanwijzing zijn van een andere bedoeling ten tijde van de totstandkoming, maar na de totstandkoming gewijzigde omstandigheden kunnen een contract geen andere inhoud geven.

Aanvullende werking rebi naast onvoorziene omstandigheden voor contractswijziging?

Een andere observatie die ik heb is dat indien art. 6:258 BW (onvoorziene omstandigheden) van toepassing is, dit volgens de Hoge Raad de toepassing van art. 6:248 lid 1 BW (aanvullende werking redelijkheid en billijkheid) niet uitsluit om een contract te wijzigen. Zie HR 25 juni 1999, NJ 1999, 602 (VvE/CSM) (rov. 3.4) en HR 25 februari 2000, NJ 2000, 471 (rov. 3.4). Art. 6:258 BW is volgens de wetgever en de literatuur vooral bedoeld voor de gecompliceerdere gevallen van contractswijziging waar – zoals art. 6:258 BW vereist, maar art. 6:248 lid 1 BW niet – een constitutief vonnis is gewenst om de contractuele rechtsverhouding in geval van onvoorziene omstandigheden opnieuw vast te stellen. De rechter kan een beroep op art. 6:248 lid 1 BW afwijzen als hij van oordeel is dat een beroep had moeten worden gedaan op art. 6:258 BW, omdat wat wordt verlangd zo diep in de overeenkomst of haar gevolgen ingrijpt dat de rechter meent dat hij aan de belangen van beide partijen en eventuele derden slechts recht kan doen bij een constitutief vonnis als bedoeld in art. 6:258 BW. Zie A-G Wissink in zijn conclusie (onder 3.10.2) ECLI:NL:PHR:2019:338 voor HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:927 (art. 81 RO) en A-G De Bock in haar conclusie (onder 3.11) ECLI:NL:PHR:2019:1063 voor HR 7 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:209 (art. 81 RO). Hoe het DPD-arrest zich hiertoe verhoudt is nog duister.