Op 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in werking getreden (de wet). Deze nieuwe bewijsrechtelijke regels zijn van toepassing op zaken die na 1 januari 2025 met een dagvaarding aanhangig worden gemaakt of met een verzoekschrift worden ingediend, of waarin na die datum hoger beroep wordt ingesteld. Dat betekent dat een procedure die onder het oude bewijsrecht is aangevangen, bewijsrechtelijk van kleur verschiet als daarin na 1 januari 2025 hoger beroep wordt ingesteld.
In deze blog zet ik de belangrijkste wetswijzigingen op een rij, die op grond van de schakelbepaling van artikel 353 Rv zowel voor bewijslevering in eerste aanleg als in hoger beroep gelden. Daarnaast besteed ik in het bijzonder aandacht aan een aantal nieuwe appelprocesrechtelijke regels die de wet introduceert.
Vrije bewijskracht van de partijgetuigenverklaring
Een eerste belangrijke wijziging ziet op de bewijskracht van partijgetuigenverklaringen. Naar oud recht gold dat een verklaring van een procespartij als getuige over feiten waarvoor die partij zelf de bewijslast draagt, slechts als aanvullend bewijs kan dienen (artikel 164 lid 2 Rv (oud)). Deze beperkte bewijskracht is onder het nieuwe recht losgelaten. Aan een partijgetuigenverklaring komt op grond van artikel 152 Rv voortaan vrije bewijskracht toe. De rechter mag dus ook op grond van de verklaring van een partij zelf een feit in haar voordeel bewezen achten. De rechter kan daarbij volgens de minister rekening houden met de positie van de persoon die de getuigenverklaring heeft afgelegd, de belangen die deze persoon bij de zaak heeft en het overige bewijsmateriaal dat in de procedure is ingebracht, zoals hij dat bij elke andere getuige doet.[1]
Vernieuwd recht op inzage
Een tweede wijziging ziet op het recht op inzage. Voorheen was dit recht opgenomen in artikel 843a Rv (oud). Nu is dit belangrijke bewijsrechtelijke middel ondergebracht in drie bepalingen: artikel 194 Rv regelt het recht op inzage zonder tussenkomst van de rechter, terwijl artikelen 195 en 195a Rv het recht op inzage tijdens een lopende (kortgeding)procedure regelen.
De voorwaarden voor het vernieuwde recht op inzage zijn grotendeels gelijk gebleven en vormen een codificatie van al geldende jurisprudentie op dit terrein. Belangrijkste vernieuwing is dat voor het recht op inzage niet langer een rechtmatig belang is vereist, maar slechts ‘voldoende’ belang. Onder het nieuwe recht hoeft daarmee niet altijd meer een belangenafweging plaats te vinden, maar geldt een ‘inzage, tenzij’-systeem. Ook nieuw is dat voortaan een familiaal verschoningsrecht geldt. Zie over deze (en andere) punten ook onze eerdere blog, ‘Wet modernisering bewijsrecht: het inzagerecht, inzichtelijk gemaakt’.
Gevolgen vernietiging eerder afgegeven bevel tot inzage
Artikel 195 lid 3 Rv brengt tot slot een nieuwigheid voor hoger beroep (en cassatie). Wordt een in eerdere instantie afgegeven bevel vernietigd, dan moeten gegevens die op basis van dat bevel al waren verstrekt, zonder onredelijke of onnodige vertraging aan de wederpartij worden teruggegeven. Het achterhouden van gegevens is in die situatie onrechtmatig en kan tot schadeplichtigheid leiden, aldus de minister.[2] Vaak zal het kwaad in de eerdere instantie dan echter al geschied zijn: er is doorgeprocedeerd en uitspraak gedaan op basis van (ontbrekende) informatie waartoe ten onrechte wel (of geen) inzage is verleend. Het is daarom raadzaam om verlof te verzoeken tot het instellen van tussentijds beroep tegen een vonnis of beschikking waarbij het inzageverzoek gedurende de procedure is toe- of afgewezen. Wordt voorafgaand aan een procedure (bij wijze van voorlopige bewijsverrichting) inzage verzocht, dan staat tegen een toe- of afwijzing van het verzoek altijd hoger beroep open, waarbij dan wel een korte beroepstermijn van vier weken geldt (artikel 200 lid 1 Rv).
Eén verzoek voor voorlopige bewijsverrichtingen met uniform toetsingskader
De beoogde vereenvoudiging van de wet komt met name terug in de nieuwe regeling voor voorlopige bewijsverrichtingen. Waar de voorlopige bewijsverrichtingen – het voorlopig getuigenverhoor, voorlopig deskundigenbericht en -verhoor en de voorlopige plaatsopneming en bezichtiging – voorheen allemaal verschillende regelingen kenden, zijn deze nu samengevoegd tot één regeling in artikel 196 tot en met 204 Rv, met dezelfde toe- en afwijzingscriteria.
Een verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen kan worden gedaan voorafgaand aan een procedure of, als de procedure al aanhangig is, voorafgaand aan inschrijving daarvan op de rol (artikel 196 lid 1 Rv). Voor hoger beroep betekent het voorgaande dat tussen de uitspraak in eerste aanleg en inschrijving van een hoger beroep op de rol van het hof (opnieuw) om voorlopige bewijsverrichtingen kan worden verzocht. Voorlopige bewijsverrichtingen tijdens een lopende procedure zijn niet langer toegestaan.
Rechtsmiddelenverbod
De mogelijkheden om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van de rechter op een verzoek om een of meerdere voorlopige bewijsverrichtingen te verrichten, zijn ook gewijzigd. Voorheen gold een asymmetrische rechtsmiddelenverbod.[3] Dat betekende dat tegen een afwijzing wel, maar tegen een toewijzing geen hogere voorzieningen konden worden ingesteld. Het asymmetrische rechtsmiddelenverbod is onder het nieuwe recht omgezet naar een symmetrisch rechtsmiddelenverbod (artikel 200 lid 2 Rv). Daardoor is het instellen van hogere voorzieningen zowel bij toewijzing als afwijzing niet meer mogelijk, tenzij de rechter anders bepaalt. In dat laatste geval hebben partijen daartoe vier weken de tijd.
Maatregelen tot bescherming van bewijs
Ten slotte is in de nieuwe artikelen 205 en 206 Rv het conservatoir bewijsbeslag uitgewerkt. Onder het oude recht bestond op grond van de jurisprudentie al de mogelijkheid tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag. Met de wet is deze jurisprudentie gecodificeerd. Daarnaast is in het nieuwe artikel 207 Rv een algemene mogelijkheid neergelegd voor het opmaken van een proces-verbaal van constatering, waaraan dwingende bewijskracht toekomt.
Rechtsmiddelenverbod
Voor de procedure tot het verkrijgen van verlof tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag of het opmaken van een proces-verbaal van constateringen, geldt een asymmetrisch rechtsmiddelenverbod. Wordt het verzoek afgewezen, dan kan daartegen in hoger beroep worden opgekomen. Tegen een toewijzing van het verzoek is daarentegen geen hoger beroep mogelijk (artikel 205 lid 6 Rv). De partij bij wie beslag is gelegd, zal in dat geval in de hoofdzaak of bij de voorzieningenrechter opheffing van het beslag moeten vorderen (artikel 206 lid 4 en artikel 705 Rv).
Conclusie Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht
Met de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht is het leveren van bewijs in hoger beroep (voor zover ingesteld na 1 januari 2025) op een aantal vlakken gewijzigd. De wet introduceert onder meer vrije bewijskracht voor partijgetuigenverklaringen, een iets ruimer inzagerecht, een uniforme regeling voor voorlopige bewijsverrichtingen en een wettelijke basis voor conservatoir bewijsbeslag. Hoewel veel van de wijzigingen een codificatie vormen van bestaande jurisprudentie, is het van belang de nieuwe regels zorgvuldig op het netvlies te houden, zeker wanneer in eerste aanleg nog onder het oude bewijsrecht is geprocedeerd. De rechtsmiddelenverboden verdienen daarbij bijzondere aandacht.
[1] Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 39.
[2] Kamerstukken II, 2019/20, 35 498, nr. 3, p. 54.
[3] Zie voor een algemene uitleg van rechtsmiddelenverboden onze eerdere blog ‘Appellabiliteit: kun je altijd in hoger beroep?’