In deze rubriek bespreken de (cassatie)advocaten van BarentsKrans oude arresten die nog steeds relevant zijn. In het arrest Van der Male/Den Hoedt[1] heeft de Hoge Raad zich gebogen over de vraag in hoeverre bij het vaststellen van de verplichtingen uit een overeenkomst kan worden gelet op de schriftelijke tekst daarvan.
Feiten in het arrest Van der Male/Den Hoedt
De heer Van der Male, aandeelhouder en bestuurder van Van der Male B.V., was tot 1995 gehuwd met mevrouw Den Hoedt. Na de echtscheiding is tussen Van der Male B.V. en Den Hoedt een overeenkomst tot stand gekomen ten behoeve van de betaling van alimentatie door Van der Male aan Den Hoedt.
In de overeenkomst, die werd gesloten onder de naam ‘arbeidsovereenkomst’, werd – samengevat – bepaald dat:
- Den Hoedt bij Van der Male B.V. in dienst zou treden als administratief medewerker;
- het dienstverband zou worden aangegaan voor onbepaalde tijd;
- Den Hoedt voor een 15-urige werkweek een brutosalaris zou verdienen van 1200 gulden per maand;
- jaarlijks een vakantietoeslag zou worden uitgekeerd.
Van der Male B.V. heeft Den Hoedt vanaf het begin van de overeenkomst vrijgesteld van werk, waardoor Den Hoedt nooit werkzaamheden heeft verricht. Gedurende een periode van bijna vijf jaar heeft Van der Male B.V. desondanks wel ‘salaris’ betaald aan Den Hoedt.
Op enig moment is Van der Male B.V. gestopt met het uitbetalen van het salaris aan Den Hoedt, omdat Den Hoedt een nieuwe partner kreeg en de alimentatieplicht eindigde. Als gevolg hiervan heeft Den Hoedt in rechte gevorderd dat Van der Male B.V. wordt veroordeeld tot de (door)betaling van haar salaris.
Oordeel kantonrechter en hof
Nadat de kantonrechter de vorderingen van Den Hoedt (grotendeels) had toegewezen, werd het vonnis van de kantonrechter bij het hof Den Bosch bekrachtigd. Zowel de kantonrechter als het hof stellen Van der Male B.V. in het ongelijk ten aanzien van haar standpunt dat geen sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst, maar van een verkapte alimentatieovereenkomst. Het hof weegt daarbij mee dat de overeenkomst alle bestanddelen van een arbeidsovereenkomst bevat en dat de keuze voor de arbeidsovereenkomst bewust is gemaakt, zodat de overeenkomst de ‘bedoeling van partijen’ weergeeft.
Oordeel Hoge Raad
Van der Male B.V. is tegen voornoemd oordeel in cassatie gegaan bij de Hoge Raad, die vervolgens heeft geoordeeld dat het arrest van het hof niet in stand kan blijven.
De Hoge Raad stelt voorop dat bij het vaststellen van de verplichtingen uit de overeenkomst op alle omstandigheden van het geval moet worden gelet, zodat het hof geen doorslaggevende betekenis had mogen geven aan de tekst van de ‘arbeidsovereenkomst’. Uit de omstandigheden van het geval kon immers worden afgeleid dat Van der Male B.V. en Den Hoedt geen uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst en dit bovendien nooit hadden beoogd. De overeenkomst had kennelijk niet de strekking om Den Hoedt daadwerkelijk werkzaamheden te laten verrichten, maar enkel om haar van alimentatie te voorzien. Om die reden kon niet worden geoordeeld dat de overeenkomst tussen partijen de verplichting bevat tot het verrichten van arbeid, zodat de overeenkomst niet als een arbeidsovereenkomst kon worden gekwalificeerd.
Van der Male/Den Hoedt anno 2025
Het arrest Van der Male/Den Hoedt is een schoolvoorbeeld voor de relevantie van het adagium ‘wezen gaat voor schijn’ bij de kwalificatie van een overeenkomst.[2] De relevantie van dit arrest blijkt ook anno 2025 – het jaar waarin is gebleken dat de aanpak van schijnzelfstandigheid nog altijd hoog op de politieke agenda staat[3] – nog wezenlijk te zijn. Illustratief hiervoor is dat iemand die meent als zelfstandige te werken, maar in feite in loondienst is, niet aan de kwalificatie van een arbeidsovereenkomst kan ontkomen door zijn overeenkomst van bepaalde schriftelijke bewoordingen te voorzien. Het gaat om de strekking van de overeenkomst, die ook blijkt uit de (kennelijke) bedoeling van partijen en de feitelijke uitvoering van de overeengekomen verplichtingen.
Conclusie
Uit het arrest Van der Male/Den Hoedt volgt dat bij het vaststellen van de verplichtingen uit een overeenkomst niet enkel kan worden gelet op de schriftelijke tekst daarvan, maar dat moet worden gelet op alle omstandigheden van het geval. Ter beantwoording van de vraag of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst kan worden aangemerkt, zal de ‘bedoeling van partijen’ dan ook niet enkel uit het schriftelijke document, maar ook uit de feitelijke uitvoering van de overeengekomen verplichtingen moeten blijken.
[1] HR 10 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9444 (Van der Male/Den Hoedt).
[2] Concl. A-G B.J. Drijber 29 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:752, par. 3.8.
[3] Zo is het wetsvoorstel ‘Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden’ (VBAR), waarmee door middel van duidelijkheid over de kwalificatie van arbeidsrelaties wordt beoogd het aantal schijnzelfstandigen in Nederland te verminderen, op 7 juli 2025 ingediend bij de Tweede Kamer.