In deze beschikking geeft de Hoge Raad toepassing aan een eerder geformuleerde regel met betrekking tot het proces-verbaal. Als de mondelinge behandeling in een meervoudig te beslissen zaak plaatsvindt ten overstaan van een rechter-commissaris of raadsheer-commissaris, moet voorafgaand aan de uitspraak het proces-verbaal daarvan aan partijen worden gezonden en ter beschikking worden gesteld aan de meervoudige kamer. Dit geldt voor alle mondelinge behandelingen die (mede) tot doel hebben dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten.
Kan een meervoudige kamer beslissen op basis van een concept proces-verbaal?
Het betrof in deze zaak een verzoek om verlof tot het leggen van conservatoir beslag.[1] De verzoeker stelde hoger beroep in tegen de eindbeschikking van de rechtbank, ten aanzien van de begroting van zijn vordering. In de procedure bij het hof vond een mondelinge behandeling plaats ten overstaan van een raadsheer-commissaris. De advocaat van de verzoeker had het hof later verzocht om een proces-verbaal van de mondelinge behandeling. Per e-mail antwoordde het hof daarop dat een proces-verbaal van de zitting zal worden opgemaakt en verzonden. Uiteindelijk bekrachtigde het hof de beschikking van de rechtbank, nog voordat het proces-verbaal was toegezonden en – zoals uit de in de beschikking geciteerde e-mail blijkt – zonder dat toen al een definitief getekend proces-verbaal beschikbaar was. De rechters hadden ten tijde van het geven van de beschikking gewerkt met een nog niet ondertekend concept van het proces-verbaal. [2]
In cassatie klaagt de verzoeker dat het hof het proces-verbaal van de mondelinge behandeling niet voorafgaand aan zijn uitspraak heeft opgemaakt en ter beschikking heeft gesteld aan de raadsheren die de zaak beslisten, en het proces-verbaal evenmin voorafgaand aan zijn uitspraak heeft toegezonden aan partijen.[3] De Hoge Raad overweegt als volgt:
Van een mondelinge behandeling die mede ten doel heeft dat de rechter de partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten en die plaatsvindt in een meervoudig te beslissen zaak ten overstaan van een rechter-commissaris of raadsheer-commissaris, dient een proces-verbaal te worden opgemaakt. Dat proces-verbaal dient voorafgaand aan de uitspraak te worden toegezonden aan partijen en ter beschikking te worden gesteld van de meervoudige kamer. Anders is onvoldoende gewaarborgd dat hetgeen ter zitting is voorgevallen bij de totstandkoming van de uitspraak door de meervoudige kamer wordt meegewogen.[4]
Hiermee herhaalt de Hoge Raad de regel die hij in zijn uitspraak van 22 december 2017 had geformuleerd. Omdat niet aan deze regels is voldaan, slaagt de klacht.[5]
De vraag rijst of de Hoge Raad de hierboven geciteerde regel alleen geschonden acht omdat het proces-verbaal niet voorafgaand aan de uitspraak was toegezonden, of ook omdat het niet tijdig was opgemaakt en aan de rechters van de meervoudige kamer ter beschikking gesteld. Uit de wijze waarop de klacht in de beschikking is weergegeven valt af te leiden dat de Hoge Raad op al deze punten schendingen aanneemt. Dat zou betekenen dat geen uitspraak mag worden gedaan op basis van een concept proces-verbaal, wanneer niet alle rechters bij de mondelinge behandeling aanwezig zijn geweest. In zijn conclusie gaat A-G Assink daarvan uit, waarbij hij ook opmerkt dat voor het oordeel in deze cassatieprocedure niet relevant is of de finale versie nog is gewijzigd ten opzichte van het concept.[6]
Mondelinge behandeling en onmiddellijkheidsbeginsel
De geciteerde regel geeft voor het civiele procesrecht invulling aan het onmiddellijkheidsbeginsel en het recht op een mondelinge behandeling.[7] Daarmee wordt gewaarborgd dat hetgeen ter zitting is voorgevallen ook bij de totstandkoming van de uitspraak door de meervoudige kamer wordt meegewogen.
Onmiddellijkheidsbeginsel
Het onmiddellijkheidsbeginsel is in algemene zin in art. 155 Rv vastgelegd. Het eerste lid daarvan schrijft voor dat de rechter ten overstaan van wie in een zaak bewijs is bijgebracht, daarin zoveel als mogelijk het eindvonnis zal wijzen of medewijzen. Voor de mondelinge behandeling vloeit uit het onmiddellijkheidsbeginsel voort dat een rechterlijke beslissing behoort te worden gegeven door de rechter(s) ten overstaan van wie die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden.
Een belangrijk punt voor de ontwikkeling van het onmiddellijkheidsbeginsel in verband met de mondelinge behandeling was het arrest Verhoeven c.s./Staat uit 2014, waarin het ging om een eindvonnis dat mede was gewezen door een rechter die niet bij de mondelinge behandeling aanwezig was geweest.[8] Dit kwam door het defungeren van een rechter-plaatsvervanger die deel had uitgemaakt van de meervoudige kamer ten overstaan waarvan was gepleit. De Hoge Raad geeft in zijn oordeel de regels voor uitzonderlijke omstandigheden waaronder de vervanging van een rechter na afloop van de mondelinge behandeling toch is toegestaan.[9]
Hiermee kwam de Hoge Raad ten dele terug van het Dobbelaar/Staat-arrest uit 1964, waarin hij specifiek voor de onteigeningsprocedure zoals die destijds was vormgegeven een strengere lijn had aangehouden.[10] Dat het eindvonnis wordt gewezen door de rechters die op de terechtzitting aanwezig zijn geweest, was toen voor het onteigeningsgeding van zo wezenlijk belang, dat de niet-naleving van die vorm de nietigheid van het vonnis met zich bracht. Met Verhoeven c.s./Staat werd deze uitzondering voor onteigeningsprocedures losgelaten en op dit punt een algemene uitleg gegeven van de werking van het onmiddellijkheidsbeginsel voor het civiele procesrecht.
In Verhoeven c.s./Staat oordeelt de Hoge Raad dat vervanging van een rechter vereist dat partijen – en in een verzoekschriftprocedure de belanghebbenden – daarover worden ingelicht, onder opgave van redenen voor de vervanging en de beoogde uitspraakdatum.[11] Bovendien mogen zij na de vervanging een nadere mondelinge behandeling verzoeken, ten overstaan van de rechters door wie de uitspraak zal worden gewezen. Een dergelijk verzoek mag in ieder geval niet worden afgewezen, als er geen proces-verbaal van de eerdere mondelinge behandeling is opgemaakt en aan partijen en belanghebbenden ter beschikking is gesteld. Als dat wel tijdig is gedaan, kan het verzoek worden afgewezen in het belang van een voortvarende procesvoering.[12] In de uitspraak zal dan moeten worden gemotiveerd waarom dit belang in de gegeven omstandigheden zwaarder weegt.
Recht op mondelinge behandeling
Het recht van partijen om hun standpunten mondeling ten overstaan van een rechter uiteen te zetten geldt als een fundamenteel beginsel van burgerlijk procesrecht, dat voortvloeit uit art. 6 EVRM en voorheen ook in art. 134 Rv was vastgelegd.[13] De Hoge Raad heeft deze fundamentele status van het recht op een mondelinge behandeling in de bekende Boumans/’t Plenske-arresten bevestigd.[14]
In zijn annotatie bij Verhoeven c.s./Staat identificeert Asser twee aspecten die volgens hem de basis vormen voor de mondelinge behandeling: het recht van partijen om het oordeel van de rechter te beïnvloeden en de maatschappelijke noodzaak dat de rechter met partijen spreekt, om langs die weg zo goed en volledig mogelijk geïnformeerd te raken of om een schikking te faciliteren.[15] Met name de mogelijkheid om bij de mondelinge behandeling invloed uit te oefenen komt in gevaar, wanneer een rechter moet beslissen zonder de mondelinge behandeling zelf meegemaakt te hebben. Die beïnvloeding geschiedt dan alleen indirect, via het proces-verbaal en wat andere rechters over hun waarnemingen ter zitting aan hem mededelen.
De gedachte dat het proces-verbaal niet altijd een volledige weergave biedt van de mondelinge behandeling lijkt ook besloten te liggen in het vereiste van toezending aan partijen. In zijn conclusie schrijft A-G Assink dat daarmee tevens is beoogd dat partijen nog kunnen reageren op de inhoud van het proces-verbaal.[16] Partijen hebben dus een mogelijkheid om bij te sturen, in het bijzonder wanneer zij vinden dat het proces-verbaal onvolledig is of geen waarachtige weergave biedt.
Mondelinge behandeling ten overstaan van één rechter
Aansluitend bij de voornoemde uitgangspunten en voortbouwend op Verhoeven c.s./Staat, geeft de Hoge Raad in twee beschikkingen van 22 december 2017 de betreffende regels voor de specifieke situatie waarin de mondelinge behandeling in een meervoudig te beslissen zaak plaatsvindt ten overstaan van alleen een rechter-commissaris of raadsheer-commissaris.[17] In dat geval moet uiterlijk bij de oproeping van partijen aan hen worden medegedeeld dat de mondelinge behandeling plaatsvindt ten overstaan van maar één rechter. Ook hier moet er gelegenheid zijn om te verzoeken dat de mondelinge behandeling alsnog zal plaatsvinden ten overstaan van de meervoudige kamer die uiteindelijk in de zaak beslist.[18] Dat verzoek kan alleen worden afgewezen op zwaarwegende gronden.[19]
Vergelijkbare regels geeft de Hoge Raad voor verwijzing op de voet van art. 15 lid 2 Rv of art. 16 lid 3 Rv naar een meervoudige kamer, nadat een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ten overstaan van een enkelvoudige kamer, waarin partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun stellingen toe te lichten en die voorafgaat aan de eerstvolgende uitspraak.[20] Ook dan moeten partijen een mededeling daarover ontvangen en de gelegenheid krijgen om te verzoeken om een nieuwe mondelinge behandeling ten overstaan van de meervoudige kamer.
Daarnaast maakt de Hoge Raad twee opmerkingen.[21] Ten eerste formuleert hij de regel die in deze blog centraal staat: als in een meervoudig te beslissen zaak de mondelinge behandeling plaatsvindt ten overstaan van een rechter-commissaris of raadsheer-commissaris, moet voorafgaand aan de uitspraak het proces-verbaal zijn opgemaakt en zijn toegezonden aan de partijen en ter beschikking zijn gesteld aan de meervoudige kamer. Ten tweede wijst de Hoge Raad erop dat bewijsverrichtingen die plaatsvinden ingevolge art. 149-207 Rv in meervoudig te beslissen zaken kunnen plaatsvinden ten overstaan van een rechter-commissaris of raadsheer-commissaris zonder dat aan de gegeven regels hoeft te zijn voldaan.
Sindsdien zijn de regels uit de beschikkingen van 2017 meermaals door de Hoge Raad toegepast.[22] Opgemerkt kan worden dat met de arresten HS en FNV/Pontmeyer van 22 juni 2018 een nadere uitwerking is gegeven aan het vereiste van een gelegenheid om te verzoeken om een mondelinge behandeling voor de meervoudige kamer.[23] Daaraan kan ook zijn voldaan als het gerecht een regeling voor dit verzoek in het procesreglement heeft opgenomen.
Gelegenheid om stellingen toe te lichten
De betreffende regels voor het opmaken, ter beschikking stellen en toezenden van het proces-verbaal gelden alleen voor mondelinge behandelingen die mede tot doel hebben dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten. In de beschikkingen van 22 december 2017 noemt de Hoge Raad als voorbeeld van mondelinge behandelingen met een ander doel: de schikkings- en inlichtingencomparitie na een tussenuitspraak, en in hoger beroep de comparitie na aanbrengen die plaatsvindt voordat een schriftelijke uitwisseling van partijstandpunten heeft plaatsgevonden.[24] Zodra de mondelinge behandeling echter naast één of meerdere van deze doelen ook dient om partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen nader toe te lichten, zullen de regels van toepassing zijn.[25]
Wat betekent deze uitspraak voor de procespraktijk?
In de onderhavige beschikking geeft de Hoge Raad toepassing aan de regel dat in meervoudig te beslissen zaken waarin de mondelinge behandeling ten overstaan van één rechter plaatsvindt, er voorafgaand aan de uitspraak een proces-verbaal moet zijn opgemaakt, dat aan partijen is gezonden en aan de rechters ter beschikking is gesteld. Uit de uitspraak kan bovendien worden afgeleid dat een concept van het proces-verbaal niet volstaat: het moet gaan om de finale en ondertekende versie.
[1] HR 29 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:805, rov. 2.1-2.3.
[2] HR 29 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:805, rov. 2.4-2.7.
[3] HR 29 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:805, rov. 3.1.
[4] HR 29 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:805, rov. 3.2.
[5] HR 29 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:805, rov. 3.3.
[6] Concl. A-G B.F. Assink 12 december 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1364, par. 3.31-3.33.
[7] E. Gras, R.G. Hendrikse & A.W. Jongbloed, Compendium van het burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 41-44.
[8] HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076 (Verhoeven c.s./Staat).
[9] HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076 (Verhoeven c.s./Staat), rov. 3.3-3.5.
[10] HR 11 maart 1964, NJ 1964/182.
[11] HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076 (Verhoeven c.s./Staat), rov. 3.4.4.
[12] HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076 (Verhoeven c.s./Staat), rov. 3.4.4.
[13] Zie over het schrappen van art. 134 Rv bijvoorbeeld: P. Koerts, ‘De mondelinge behandeling ‘nieuwe stijl’ en het verdwenen artikel 134 Rv’, WPNR 2020/7305, p. 880-886.
[14] HR 29 september 1995, NJ 1997/340 (Boumans/’t Plenske I); HR 15 maart 1996, NJ 1997/341 (Boumans/’t Plenske II).
[15] W.D.H. Asser, annotatie bij: HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076, NJ 2015/181 (Verhoeven c.s./Staat), par. 1.
[16] Concl. A-G B.F. Assink 12 december 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1364, par. 3.17-3.21.
[17] HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259 en ECLI:NL:HR:2017:3264.
[18] HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259 en ECLI:NL:HR:2017:3264, rov. 3.6.3.
[19] HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259 en ECLI:NL:HR:2017:3264, rov. 3.6.4.
[20] HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259 en ECLI:NL:HR:2017:3264, rov. 3.6.5.
[21] HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259 en ECLI:NL:HR:2017:3264, rov. 3.7.
[22] Zie bijvoorbeeld ook: HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:484, rov. 4.1.2; HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:971 (HS), rov. 3.4.3-3.4.4; HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976 (FNV/Pontmeyer), rov. 4.1.4-4.1.5; HR 25 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:106, rov. 4.1.2-4.1.3; HR 22 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:271, rov. 3.4.1-3.4.4.
[23] HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:971 (HS), rov. 3.4.4; HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976 (FNV/Pontmeyer), rov. 4.1.5.
[24] HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259 en ECLI:NL:HR:2017:3264, rov. 3.3.2.
[25] HR 22 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:271, rov. 3.4.2.