In het jaarverslag 2025 van de Hoge Raad worden de belangrijkste cijfers en gebeurtenissen van het afgelopen jaar op een rij gezet. Zo legt de Hoge Raad publiekelijk verantwoording af over de verrichte werkzaamheden en de middelen die daarvoor in het jaar 2025 zijn ingezet. De Hoge Raad benoemt daarnaast enkele trends en zaken die voor de rechtsontwikkeling van bijzonder belang zijn geweest. Een aantal daarvan wordt hieronder uitgelicht:
- De Hoge Raad in de samenleving (zichtbaarheid, o.a. activiteiten en digitale zichtbaarheid zoals livestream/LinkedIn/publicatie oude arresten)
- De vierde kamer (taken, werkwijze en cijfers/ontwikkelingen rond klachten)
- De civiele kamer in cijfers (instroom, uitstroom doorlooptijd en afdoening)
- Rechtsontwikkeling: strafrecht, massaschade en Europese invloeden
De Hoge Raad in de samenleving
Voor het tweede jaar op rij besteedt de Hoge Raad in het eerste hoofdstuk van het jaarverslag (“De Hoge Raad in de samenleving”) aandacht aan zijn eigen zichtbaarheid in de samenleving. Deze zichtbaarheid is volgens de Hoge Raad belangrijk om zijn taken goed te kunnen blijven uitoefenen in een constant veranderende samenleving. Als voorbeelden worden genoemd het ontvangen van mbo-, hbo- en wo-studenten, het houden van een open dag, het organiseren van een symposium tijdens de Week van de Rechtsstaat, het geven van lezingen in bibliotheken in Den Haag en het onderhouden van contacten met binnen- en buitenlandse gerechtelijke instanties.
Ook op digitaal vlak werkte de Hoge Raad verder aan zijn zichtbaarheid. Zo bood de Hoge Raad in 2025 de mogelijkheid om de zitting in de zaak over de levering van F35-onderdelen aan Israël via een livestream te volgen. Philip Fruytier en Hugo Boom stonden Oxfam Novib bij in deze cassatieprocedure tegen de Staat. Ook bouwde de Hoge Raad voort op de nieuwsservice en de juridische berichtgeving op LinkedIn, die beide in 2024 van start gingen. Tot slot publiceerde de Hoge Raad opnieuw een groot aantal (156) oude arresten op rechtspraak.nl. Een opmerkelijk detail daarbij is dat de Hoge Raad ook een verzoek ontving om oude arresten te publiceren die bij nader inzien niet bleken te bestaan, maar door AI waren verzonnen.
De vierde kamer
Nieuw dit jaar is het hoofdstuk over ‘de vierde kamer’ van de Hoge Raad. Deze minder bekende kamer wordt gevormd uit leden van de andere drie kamers (civiel, straf en belasting) en behandelt jaarlijks ongeveer tien zaken. De werkzaamheden van de vierde kamer omvatten het behandelen van klachten tegen rechterlijke ambtenaren, zaken over schorsing en ontslag van rechters, verzoeken tot wraking van een raadsheer uit de Hoge Raad en klachten over het gebruik van persoonsgegevens door gerechten. De procureur-generaal (PG) is de enige die bevoegd is deze zaken voor te leggen aan deze kamer.
Door middel van een reeks interviews met mensen die nauw betrokken zijn bij de vierde kamer, geeft de Hoge Raad een beeld van de uiteenlopende werkzaamheden. Uit de interviews blijkt onder meer dat het aantal klachten over rechters jaar na jaar toeneemt; in 2025 ging het om 140 klachten. Overigens wordt slechts een klein deel daarvan daadwerkelijk voorgelegd aan de vierde kamer. Dat komt doordat de meeste klachten gaan over een rechterlijke beslissing, terwijl het klachtrecht alleen bedoeld is voor de gedraging van een rechter. Ook de procureur-generaal zelf, Edwin Bleichrodt, komt aan het woord. Hij benadrukt dat het voor het behoud van het publieke vertrouwen in de rechtsstaat essentieel is dat het tuchtrecht inhoud heeft. De vierde kamer draagt hier wezenlijk aan bij, aangezien deze kamer de exclusieve bevoegdheid heeft om rechters te schorsen of te ontslaan.
De civiele kamer in cijfers
Instroom, uitstroom en doorlooptijd
Uit het jaarverslag volgt dat het aantal bij de Hoge Raad aangebrachte civiele zaken in 2025 weer is afgenomen na een piek in het voorgaande jaar. Waar in 2024 nog 347 civiele zaken aanhangig werden gemaakt, betrof dit in 2025 319 civiele zaken. Het aantal zaken waarin de civiele kamer van de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan, is eveneens afgenomen: van 335 uitspraken in 2024 naar 276 uitspraken in 2025. Het aantal gewezen conclusies vertoont een gelijke daling: van 344 conclusies in 2024 naar 284 in 2025. Voor de gemiddelde tijd die verstrijkt tussen het instellen van cassatieberoep en het wijzen van uitspraak heeft deze daling in uitstroom positieve gevolgen: nadat de gemiddelde doorlooptijd van een civiele cassatiezaak in 2024 nog 372 dagen bedroeg, is deze in 2025 verder gedaald naar 363 dagen.
Afdoening
Van de zaken die de civiele kamer van de Hoge Raad in 2025 heeft behandeld, werd 62% inhoudelijk afgedaan. Het aantal zaken dat de Hoge Raad met toepassing van artikel 81 lid 1 RO zonder nadere motivering heeft afgedaan, is evenwel opnieuw afgenomen: van 135 zaken in 2024 naar 104 zaken in 2025. Aangezien het percentage cassatieberoepen waarin de Hoge Raad tot vernietiging van de bestreden uitspraak overgaat eveneens is gedaald — van 31% in 2024 naar 28% in 2025 — heeft de Hoge Raad in het afgelopen jaar naar verhouding meer cassatieberoepen gemotiveerd verworpen.
Rechtsontwikkeling: strafrecht, massaschade en Europese invloeden
In 2025 heeft de Hoge Raad opnieuw in belangrijke mate bijgedragen aan de rechtsontwikkeling, ook op terreinen die wellicht wat minder voor de hand liggen. De Hoge Raad wijst in het jaarverslag op de verschillende wijzen waarop uiteenlopende zaken onder zijn aandacht zijn gebracht en op de afwisselende (rechts)gebieden die daarbij aan de orde zijn gekomen. In dit verband worden onder meer de volgende voorbeelden genoemd:
-
Toename aantal civiele zaken dat samenhangt met het strafrecht
Opmerkelijk in 2025 was dat een aanzienlijk aantal uitspraken van de civiele kamer zaken betrof die nauw samenhangen met het strafrecht of het strafproces. Het ging daarbij onder meer om een schadevergoedingsvordering ter zake van hetzelfde feitencomplex als waarover een strafzaak loopt, de toepasselijkheid van civielrechtelijke bepalingen over bedrog en dwaling in relatie tot een strafrechtelijke sanctie, en het recht op een mondelinge behandeling in hoger beroep na afwijzing van een vordering van een benadeelde partij in het strafproces. Omgekeerd beantwoordde de strafkamer in 2025 ook meer civielrechtelijke vragen. In dergelijke zaken nemen soms ook leden van de civiele kamer zitting of concludeert een advocaat-generaal van het civiele parket.
-
Eerste uitspraken in de zaken over de WAMCA
In 2025 heeft de Hoge Raad voor het eerst uitspraken gedaan in zaken op grond van de Wet Afwikkeling Massaschade in Collectieve Acties (WAMCA), die op 1 januari 2020 in werking is getreden. Tot op heden heeft met name de fase voorafgaand aan de inhoudelijke beoordeling tot juridische discussie geleid. In twee arresten verschafte de Hoge Raad de nodige duidelijkheid.
- In zijn arrest van 21 februari 2025 oordeelde de Hoge Raad dat de eisen van artikel 1018c Rv, die gelden voor de dagvaarding waarmee een collectieve vordering ex artikel 3:305a Rv wordt ingesteld, niet van toepassing zijn op de dagvaarding in hoger beroep of op de procesinleiding in cassatie.
- In het arrest van 14 maart 2025 verduidelijkte de Hoge Raad hoe de begrippen ‘dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen’ en ‘gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen’ (artikel 1018d lid 1 Rv) moeten worden uitgelegd. Daarnaast verduidelijkte de Hoge Raad dat de verlenging van de driemaandentermijn voor het instellen van gelijksoortige collectieve vorderingen (artikel 1018d lid 2 Rv) uitsluitend geldt voor de rechtspersoon die om deze verlenging heeft verzocht. Philip Fruytier en Joris Jas behandelden deze zaak in cassatie namens Stichting Consumenten Competition Claims.
-
Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie
Op grond van artikel 267 VWEU kan de Hoge Raad prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie stellen over de uitleg en toepassing van Europees recht. In 2025 maakte de Hoge Raad acht keer gebruik van deze bevoegdheid, waarbij de civiele kamer onder meer vragen voorlegde over de geldigheid van een proceskostenbeding onder de Richtlijn oneerlijke bedingen en over het toepasselijk recht bij kartelschadevorderingen. Beantwoording van deze vragen door het HvJEU leidt soms ook tot beantwoording van prejudiciële vragen die een rechtbank aan de Hoge Raad heeft gesteld. Een voorbeeld daarvan is het arrest van 27 juni 2025. Naar aanleiding van prejudiciële antwoorden van het HvJEU licht de Hoge Raad hierin toe onder welke omstandigheden een ‘Buy Now, Pay Later’-betaalmethode als consumentenkrediet kwalificeert en wat daarvan de civielrechtelijke gevolgen zijn. Maartje van der Beek schreef hierover een blog. Is achteraf betalen een vorm van consumentenkrediet? – BarentsKrans
Heeft u vragen naar aanleiding van deze blog, het jaarverslag van de Hoge Raad of bent u benieuwd wat onze cassatieadvocaten voor u kunnen betekenen? Bezoek dan onze cassatiepagina.