Bij het winkelen in een webshop heeft een consument verschillende mogelijkheden om te betalen. Denk aan (vooralsnog) iDEAL, Visa en Mastercard (creditcard), maar ook aan zogeheten ‘buy now pay later’ (BNPL) betaalmethoden zoals Riverty en Klarna. Deze BNPL-betaalmethoden houden de juridisch gemoederen al geruime tijd bezig. Met name ook de vraag of BNPL als kredietverstrekking aan consumenten kwalificeert. In 2022 stelde een Arnhemse kantonrechter hierover al prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.[1] Vervolgens heeft de Hoge Raad zelf óók prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU).[2] Naar aanleiding van het antwoord daarop[3], licht de Hoge Raad in zijn arrest van 27 juni jl. toe onder welke omstandigheden een BNPL-betaalmethode – ook op basis van het huidige recht – als consumentenkrediet kwalificeert en wat daar de civielrechtelijke gevolgen van zijn.[4] In deze blog zetten wij de overwegingen van de Hoge Raad kort uiteen.
Wel of geen consumentenkrediet in de zin van de wet?
De wettelijke bepalingen rondom consumentenkrediet[5] zijn niet van toepassing op kredietovereenkomsten zonder rente en andere kosten en kredietovereenkomsten waarbij het krediet binnen een termijn van drie maanden moet worden afgelost en slechts onbetekenende kosten in rekening worden gebracht.[6]
De Hoge Raad overweegt nu, in lijn met het HvJ-EU, dat vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten daarbij niet in aanmerking worden genomen[7], behalve als de kredietgever, om een economisch voordeel te verkrijgen, vanaf het sluiten van de kredietovereenkomst al anticipeert op het niet-nakomen van de betalingsverplichting door de consument. Of de vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten deel uitmaken van het verdienmodel hangt af van alle omstandigheden rond het sluiten van de kredietovereenkomst en andere relevante factoren. Denk dan met name aan de wettelijke dan wel contractuele aard van de rente en de kosten van niet-nakoming, de termijnen waarbinnen die rente en kosten opeisbaar worden en het bedrag van deze rente en kosten.[8]
Wanneer is sprake van een op vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten gericht verdienmodel?
In dit arrest of de reeds bestaande rechtspraak van feitenrechters vinden we geen antwoord op de vraag wanneer van een op de vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten gericht verdienmodel sprake is. Volgens de betrokken advocaat-generaal (AG) moet die vraag met behoedzaamheid worden beantwoord.[9] Je moet dus niet te snel tot de conclusie komen dat zo’n verdienmodel aan de orde is. Dat kan wel zo zijn als de BNPL-aanbieder erg afhankelijk is van inkomsten uit aanmaningskosten, maar dat is niet doorslaggevend, aldus de AG.
Wat zijn de gevolgen?
Als de vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten deel uitmaken van het verdienmodel van de BNPL-aanbieder, is er sprake is van krediet en rusten er op de betreffende BNPL-aanbieder (die dan ook kredietgever is) verschillende wettelijke (precontractuele) verplichtingen. Het gaat dan om onder meer het geruime tijd van tevoren verstrekken van precontractuele standaardinformatie[10] en het voorkomen van overkreditering[11].
Verstrekken precontractuele informatie over het krediet
Wat betreft het verstrekken van de Europese Standaardinformatie inzake consumentenkrediet overweegt de Hoge Raad, onder verwijzing naar onder meer de wetsgeschiedenis[12], dat op basis van de omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld of de precontractuele informatie geruime tijd van tevoren is verstrekt. De enkele omstandigheid dat de consument, die besluit een product te kopen waarbij de mogelijkheid bestaat dit met een krediet te financieren, geen gebruik maakt van de mogelijkheid om langer over de informatie na te denken en vrijwel onmiddellijk de koop- en de kredietovereenkomst aangaat, maakt niet dat de precontractuele informatie niet ‘geruime tijd’ van tevoren is verstrekt.[13]
Ambtshalve toetsing voorkomen overkreditering, ook bij krediet van € 1.000 of minder
Wat betreft het voorkomen van overkreditering[14] betekent dit dat de civiele rechter dit – gelet op eerdere rechtspraak van het HvJ-EU[15] – ambtshalve moet toetsen. Dit geldt óók bij kredieten van niet meer dan € 1.000. Het is aan de feitenrechter om te beoordelen of uit de stellingen van partijen en uit de overgelegde stukken voldoende blijkt dat de kredietgever aan die verplichting heeft voldaan, aldus de Hoge Raad.
De in artikel 113 Besluit Gedragstoezicht financiële Ondernemingen (BGfo) opgenomen verplichting – dat de kredietaanbieder geen kredietovereenkomst met een consument aangaat als het totale kredietbedrag meer dan € 1000 is en hij niet beschikt over voldoende schriftelijke of op een andere duurzame drager vastgelegde informatie over de financiële positie van de consument om te kunnen beoordelen of het aangaan van de overeenkomst verantwoord is – hoeft de civiele rechter niet te toetsen. Dit omdat deze bepaling terug te leiden is naar artikel 28 lid 1 Wet op het consumentenkrediet (oud) en niet haar grondslag vindt in de Richtlijn Consumentenkrediet (CCD I).[16]
De nieuwe Richtlijn Consumentenkrediet en de gevolgen voor BNPL-betaalmethoden
Inmiddels is de CCD I opgevolgd door een nieuwe, tweede Richtlijn Consumentenkrediet (CCD II).[17] De uit hoofde daarvan geïmplementeerde bepalingen moeten vanaf 20 november 2026 worden toegepast, waarna de CCD I komt te vervallen.[18] Uit CCD II volgt dat die richtlijn – onder bepaalde nadere voorwaarden – niet geldt voor betalingsuitstel door de leveranciers of dienstverlener zelf[19], maar wél voor BNPL-betaalmethoden die een derde verleent[20]. In zoverre sorteert dit arrest van de Hoge Raad hier alvast op voor, zij het dat dit arrest relevant is voor kredietovereenkomsten die onder CCD I, en dus vóór 20 november 2026, zijn aangegaan. Vanaf die datum zal een complexer stelsel van regels gelden rondom BNPL-betaalmethoden, waar wij in deze blog (nog) verder niet op ingaan.[21]
Tot slot: er geldt een BNPL-gedragscode
Tot slot merken wij nog op dat vier toonaangevende BNPL-aanbieders al enige tijd geleden een Gedragscode hebben opgesteld, waarin diverse gedragsregels zijn opgenomen rondom het aangaan van een BNPL-overeenkomst alsmede de afwikkeling daarvan.[22] Los van het feit dat de status van dit soort ‘soft law’ niet geheel duidelijk is, meent ook de minister voor Rechtsbescherming dat het wettelijk verankeren van (gedrags-)regels rondom BNPL de voorkeur heeft.[23]
[1] Rechtbank Gelderland 4 mei 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:2441. De Hoge Raad heeft een deel van de prejudiciële vragen al beantwoord bij arrest van 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:778.
[2] Hoge Raad 30 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:1006.
[3] HvJEU 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:895.
[4] Hoge Raad 27 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:1008.
[5] Titel 2A, afdeling 1 Boek 7 BW.
[6] Artikel 7:58 lid 2 onder e BW.
[7] Dit geldt ongeacht of deze uit de wet of de overeenkomst volgen en ongeacht of deze hoger zijn dan zonder de bepaling op grond van de wet verschuldigd zou zijn.
[8] Hoge Raad 27 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:1008, r.o. 3.4.4, verwijzend naar HvJEU 17 oktober 2024, zaak C-409/23, ECLI:EU:C:2024:895, punt 51.
[9] ECLI:NL:PHR:2025:1008, r.o. 2.21 .
[10] Artikel 7:60 BW.
[11] Artikel 4:34 lid 1 Wft.
[12] Kamerstukken II 2009/10, 32339, nr. 3, p. 16 en 34, Kamerstukken I 2010/11, 32339, C, p. 13.
[13] Hoge Raad 27 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:1008, r.o. 3.4.5.
[14] Artikel 4:34 lid 1 Wft.
[15] HvJEU 5 maart 2020, zaak C-679/18, ECLI:EU:C:2020:167 (OPR-Finance), punt 46.
[16] Richtlijn 2008/48.
[17] Richtlijn 2023/2225.
[18] Zie de artikelen 47-49 Richtlijn 2023/2225.
[19] Artikel 2 lid 2 onder h en l CCD II.
[20] Artikel 2 lid 8 CCD II.
[21] De memorie van toelichting en het implementatievoorstel van CCD II zijn hier terug te vinden: Overheid.nl | Consultatie Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet.
[23] Tweede Kamer brief van 26 oktober 2023, 4974366.