In deze rubriek belichten we oude arresten die nog steeds relevant zijn. Deze keer staat een belangrijk arrest voor het notariaat centraal: het Novitaris-arrest.[1] In dit arrest formuleert de Hoge Raad de criteria voor de notaris bij de beoordeling of belangen van derden moeten leiden tot het weigeren van dienstverlening.
Feiten en achtergrond van het Novitaris-arrest
In 1988 kregen twee broers van hun vader de eigendom van een pand. In de bijbehorende leveringsakte werd een aanbiedingsplicht opgenomen: voordat het pand zou worden verkocht door de broers, moesten zij het eerst aan hun vader aanbieden tegen een vooraf bepaalde prijs. Bij niet-nakoming van deze aanbiedingsplicht zou een boete verschuldigd zijn aan de vader.
Op 7 september 2006 boden de broers het pand aan hun vader aan, maar tegen een hoger bedrag dan in de akte was vastgelegd. Dit hogere bedrag hield volgens de broers verband met verbouwingen aan het pand. De broers gaven aan dat deze aanbieding geldig was tot 8 oktober 2006.
In juni 2007 werd een medewerker van de Novitaris BV gevraagd om te beoordelen en te bevestigen of de aanbiedingsplicht inmiddels was vervallen en het pand aan een derde kon worden verkocht. De medewerker adviseerde dat het verstandig was als de broers en hun vader nogmaals definitief zouden afspreken dat aan de aanbiedingsplicht was voldaan. De broers lieten echter weten ‘niet langer in discussie’ wensen te gaan met hun vader over de aanbiedingsplicht en bereid te zijn de eventuele boete op de koop toe te nemen. Op 30 juni 2008 passeerde de notaris de leveringsakte waarbij het pand werd overgedragen aan een derde koper.
De erfgenaam van de vader diende vervolgens een klacht jegens de notaris in, waarin zij stelde dat de zorgplicht door de notaris was geschonden door de leveringsakte te passeren terwijl de aanbiedingsplicht nog niet was vervallen. De Kamer van Toezicht verklaarde de klacht gegrond en legde de maatregel van waarschuwing op.
Daaropvolgend wendde de erfgenaam zich tot de civiele rechter en vorderde schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad van de notaris. De rechtsvraag die in dit kader centraal kwam te staan was onder welke omstandigheden een notaris gehouden is zijn dienstverlening te weigeren, wanneer die mogelijk strijd oplevert met de rechten of de belangen van derden en of hij door wél mee te werken onrechtmatig handelt jegens die derden.
Oordeel Hoge Raad
In het Novitaris-arrest verduidelijkt de Hoge Raad de rol van de notaris wanneer belangen van derden mogelijk in het geding zijn. Daarbij staat het spanningsveld centraal tussen de ministerieplicht (art. 21 lid 1 Wna) en de plicht tot dienstweigering (art. 21 lid 2 Wna), in samenhang met de zorgplicht uit artikel 17 Wna. De notaris moet zijn ambt verlenen aan eenieder die daarom verzoekt, maar is ook verplicht zijn dienst te weigeren wanneer daarvoor gegronde redenen zijn, zoals bij strijd met het recht of de openbare orde of ingeval van een kennelijk ongeoorloofd doel van de cliënt. De rol van de notaris in het rechtsverkeer brengt mee dat hij onder bijzondere omstandigheden ook zorg moet dragen voor de belangen van derden die mogelijk betrokken zijn bij de verlangde ambtsverrichtingen.[2] Deze zorgplicht kan ervoor zorgen dat de notaris gegronde redenen heeft om de dienstverlening te weigeren. Verleent hij deze toch, dan kan dit mogelijk leiden tot de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de notaris jegens de betrokken derden.[3]
De Hoge Raad stelt dat de belangen van derden onder meer zijn betrokken bij de verlangde ambtsverrichting wanneer deze betrekking heeft op een levering of bezwaring van een goed, terwijl ook een derde rechten heeft ter zake van dat goed.
De notaris is verplicht, bij aanwijzingen van rechten van derden op het goed waarop de gevraagde dienstverlening betrekking heeft, daarover met partijen te overleggen en zo nodig nader onderzoek te doen. De notaris moet beoordelen of het recht van de derde een beletsel vormt voor de beoogde levering of bezwaring. Daarbij is geen diepgaand feitenonderzoek vereist. De notaris mag derden niet zelfstandig benaderen zonder toestemming van partijen (art. 22 Wna) en kan dus slechts een globaal oordeel vormen op basis van de beschikbare informatie.[4]
Het recht van een derde vormt een beletsel wanneer de beoogd verkrijger geen rechtmatig belang heeft bij de levering of bezwaring van het goed. Dit is het geval wanneer:
- het recht van de derde op grond van de wet als sterker recht wordt aangewezen (bijvoorbeeld bij de inschrijving van de koopovereenkomst ex. artikel 7:3 BW of bij een ouder recht op levering ex. artikel 3:298 BW)[5]; of
- de beoogd verkrijger onrechtmatig jegens de derde zou handelen door de levering of bezwaring te verlangen.
Voor onrechtmatig handelen door de beoogd verkrijger is niet voldoende dat de vervreemder met de levering of bezwaring wanprestatie pleegt jegens de derde. In deze zaak was sprake van een aanbiedingsplicht richting de vader. Zo’n aanbiedingsplicht is niet hetzelfde als een recht op levering; het niet-nakomen van een aanbiedingsplicht moet worden gezien als een wanprestatie door de broers jegens de vader. De Hoge Raad oordeelde dan ook dat de notaris civielrechtelijk niet aansprakelijk was, omdat de aanbiedingsplicht geen beletsel vormde voor de beoogde levering.
Relevantie van het Novitaris-arrest voor de notariële rechtspraktijk
De Hoge Raad schetst in het Novitaris-arrest een belangrijk beoordelingskader voor de notaris wanneer hij wordt gevraagd een dienst te verlenen die mogelijk leidt tot wanprestatie of een onrechtmatige daad jegens een derde. In de juridische literatuur bestond een grote verdeeldheid over de reikwijdte van de zorgplicht van de notaris jegens derden, zowel ten aanzien van de tuchtrechtelijke normen als over de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de notaris.[6] Opgemerkt moet worden dat in het Novitaris-arrest de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de notaris werd beoordeeld. Hoewel de Kamer van Toezicht de betreffende notaris eerder in 2010 tuchtrechtelijk aansprakelijk achtte, oordeelde de Hoge Raad dat de notaris in de gegeven omstandigheden door medewerking te verlenen niet civielrechtelijk aansprakelijk was.
Doorwerking van het Novitaris-arrest in het tuchtrecht
Later vond de maatstaf uit het Novitaris-arrest ook zijn weg naar het tuchtrecht. In 2018 werd deze overgenomen in de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2018:166), waarmee de civielrechtelijke maatstaf van de Hoge Raad ook richtinggevend werd voor de tuchtrechtelijke beoordeling van notarieel handelen.
[1] HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:831, NJ 2015/479 m.nt S. Perrick (Novitaris).
[2] HR 23 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2277, NJ 1996/627; HR 23 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1590, NJ 1996/628; HR 15 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1801, NJ 1996/629 (Curatoren THB).
[3] HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:831, r.o. 3.4.3.
[4] HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:831, r.o. 3.4.5. en 3.4.6.
[5] P.C. van Es in GS Vermogensrecht 8.8.2. ‘De rol van de notaris bij (dreigende) schending van rechten van derden’.
[6] Perrick, annotatie bij HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:831, NJ 2015/479 (Novitaris), nr. 5.