Vanuit hun maatschappelijke functie hebben banken een (bijzondere) zorgplicht tegenover hun klanten. De reikwijdte van deze zorgplicht is steeds afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate van deskundigheid en relevante ervaringen van de klant, de ingewikkeldheid van het product en de daaraan verbonden risico’s.[1] Aanvankelijk leek de bijzondere zorgplicht van de bank vooral aan de orde te zijn als particulieren riskante financiële avonturen aan waren gegaan zoals optiehandel of effectenleaseovereenkomsten. Inmiddels lijkt er een tendens gaande dat ook (kleine) ondernemers zich kunnen beroepen op de bijzondere bancaire zorgplicht, bijvoorbeeld ingeval van risicovolle financiële instrumenten.[2]
Wat betreft zakelijk krediet overwoog de Hoge Raad in 2020 echter dat de inhoud en de reikwijdte van de bijzondere zorgplicht beperkt is, omdat een geldlening geen ingewikkeld product is en het geen consument betreft.[3] Maar dat betekent niet dat er nóóit een (bijzondere) zorgplicht ten opzichte van een ondernemer kan zijn ingeval van een zakelijk krediet. Een voorbeeld daarvan vinden we in een arrest van de Hoge Raad van 5 september 2025.[4] Daarover gaat deze blog.
Waar gaat deze procedure over?
Een familie exploiteert een melkveehouderij en vraagt huisbankier Rabobank om een financiering van bijna € 1,2 miljoen voor verdere uitbreiding van het bedrijf. Op dat moment geldt in Nederland een systeem van koemelkquotering. Dit stelsel beperkte de melkproductie en dus de mestproductie door melkvee. In de jaren erna is de melkveehouderij verder beperkt door invoering van het fosfaatrechtenstelsel. Dit had tot gevolg dat de aan het melkveehouderbedrijf in kwestie toegekende fosfaatrechten vervolgens onvoldoende waren om de beoogde uitbreiding te realiseren.
De melkveehouderij stapt vervolgens naar de rechter omdat zij vond dat Rabobank haar voorafgaand aan het sluiten van de leningsovereenkomst had moeten wijzen op risico’s, waaronder de mogelijke introductie van productiebeperkende maatregelen. Rabobank had de risico’s vooraf in kaart moeten brengen, deze moeten vastleggen en bespreken om te voorkomen dat er onverantwoorde financieringen zouden worden aangegaan, aldus het melkveehouderbedrijf. Volgens Rabobank waren de inhoud en de reikwijdte van de bijzondere zorgplicht hier beperkt, nu het om een onderneming gaat en het geen ingewikkeld product betreft. De zaak komt uiteindelijk bij de Hoge Raad terecht.
Bijzondere omstandigheden kunnen leiden tot een bijzondere zorgplicht
De Hoge Raad herhaalt in zijn arrest van 5 september 2025 dat de maatschappelijke functie van banken een bijzondere zorgplicht meebrengt en dat de inhoud en de reikwijdte van deze bijzondere zorgplicht mede afhangen van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate van deskundigheid en relevante ervaringen van de betrokken wederpartij, de ingewikkeldheid van het product en de daaraan verbonden risico’s. De inhoud en de reikwijdte van deze zorgplicht zijn beperkt als het gaat om het verstrekken van een geldlening aan een onderneming.
Het hof heeft volgens de Hoge Raad bijzondere omstandigheden benoemd die naar zijn oordeel meebrengen dat Rabobank bij het aangaan van de kredietovereenkomst in dit geval diende af te stemmen of het melkveehouderbedrijf de mogelijk komende productiebeperkende maatregelen en de gevolgen daarvan voor haar bedrijfsvoering en financiering voldoende overzag, om op die manier het melkveehouderbedrijf te beschermen tegen een mogelijk gebrek aan inzicht.[5] Daarmee verwijst de Hoge Raad onder meer naar de vaststellingen van het hof dat: (i) Rabobank in deze procedure heeft benoemd dat zij marktleider is in de Food & Agri sector en dat zij van oudsher een bancaire relatie heeft met ongeveer 80% van de Nederlandse melkveehouders en (ii) het voor Rabobank kenbaar was dat het melkveehouderbedrijf bij het aanvragen van het krediet geen rekening hield met mogelijke wettelijke productiebeperkende maatregelen.
Wat betekent dit voor andere ondernemers met een zakelijk krediet?
In beginsel blijft gelden dat de zorgplicht van de bank bij zakelijk krediet beperkt is. Dit is ook in lijn met de Wet op het financieel toezicht (Wft), die in geval van krediet alleen van toepassing is als krediet wordt aangeboden aan consumenten.[6] De Gedragsregels uit Deel 4 Wft missen in een kredietrelatie tussen een bank en een ondernemer daarom (eveneens) toepassing. Een ondernemer doet er in beginsel verstandig aan zelf een adviseur in de hand te nemen als hij het idee heeft bepaalde onderdelen van de financiering niet te begrijpen of het speelveld niet te overzien.
Conclusie: beperkte maar niet uitgesloten zorgplicht
Maar: volgt uit de feiten en omstandigheden dat er bepaalde relevante risico’s aanwezig zijn die de bank bij uitstek kent en waarvan de bank begrijpt dat de ondernemer daarvan niet de op de hoogte is, dan zou er tóch sprake kunnen zijn van een (bijzondere) zorgplicht. Als de bank de ondernemer in zo’n geval dan niet wijst op de risico’s, kan sprake zijn van een schending van deze zorgplicht, mogelijk met een schadevergoeding tot gevolg.
[1] Onder meer HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815.
[2] HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1652 en HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046.
[3] HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1274 en HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1276.
[4] HR 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1237.
[5] Hof Arnhem-Leeuwarden 31 oktober 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9205.
[6] Definitie van ‘aanbieden’ in artikel 1:1 Wft.