Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad mag een bank, nadat hij weet of behoort te weten dat het faillissement van zijn rekeninghouder is te verwachten (het ‘peilmoment’), binnenkomende betalingen niet verrekenen met eventuele vorderingen die de bank als financier op de gefailleerde heeft. In de juridische literatuur wordt sinds een aantal jaar bepleit dat deze binnenkomende betalingen wél zouden mogen worden verrekend met uitgaande betalingen die de bank na het peilmoment voor de gefailleerde heeft verricht.[1] In het arrest van 13 maart 2026 (ECLI:NL:HR:2026:390) oordeelde de Hoge Raad echter dat dergelijk ‘salderen’ ook niet is toegestaan. [2]
Feiten arrest 13 maart 2026
Een restaurant hield een bankrekening bij Rabobank aan met de mogelijkheid om € 25.000 in het rood te staan. Tijdens de coronacrisis maakte het restaurant gebruik van de zogenoemde NOW-regeling. Op basis van deze regeling werd door het UWV een tegemoetkoming van € 58.042 toegekend. Een week voor het faillissement, op 14 april 2020, werd het eerste deel van deze tegemoetkoming bijgeschreven op de rekening. Op 21 april werd het faillissement uitgesproken. Het verloop van het saldo zag er als volgt uit:
- Saldo voor bijschrijving: € – 25.569,94
- Saldo na bijschrijving NOW-uitkering (14 april 2020): € – 10.091,94
- Saldo ten tijde van faillietverklaring (21 april 2020): € – 23.493,78
De curator verzoekt de Rabobank om het ontvangen bedrag aan NOW-subsidie (€ 15.478) over te maken naar de boedelrekening. De Rabobank weigert dit. Zij stelt dat na ontvangst van de NOW-uitkering nog verschillende betalingsopdrachten zijn uitgevoerd, en dat zij die betalingen mag verrekenen met de ontvangen NOW-uitkering.
Mag een bank binnenkomende betalingen verrekenen met uitgaande betalingen?
De vraag die daarmee voorligt, is of een bank in het zicht van faillissement binnenkomende betalingen mag verrekenen met uitgaande betalingen. Met andere woorden: heeft de curator na de peildatum recht op afdracht van alle binnengekomen betalingen, of slechts op het (positieve) verschil tussen de inkomende en uitgaande betalingen?
Voordat ik het oordeel van de Hoge Raad hierover bespreek, schets ik eerst het algemene kader voor verrekening in faillissement en sta ik kort stil bij de bijzondere positie die banken hierin innemen.
Verrekening van schulden in faillissement
Een schuldeiser die zowel iets tegoed heeft van de gefailleerde als nog iets aan hem moet betalen, mag deze bedragen onder omstandigheden tegen elkaar wegstrepen. Hierdoor hoeft de schuldeiser zijn vordering niet ter verificatie in het faillissement in te dienen (en het risico te lopen dat hij zijn vordering niet betaald krijgt). Artikel 53 Faillissementswet stelt als voorwaarde voor deze verrekeningsbevoegdheid dat zowel de schuld als de vordering vóór de faillietverklaring moeten zijn ontstaan, of voortvloeien uit handelingen die vóór de faillietverklaring met de gefailleerde zijn verricht.
Artikel 54 Faillissementswet stelt een verdere beperking voor verrekening na de overneming van een schuld of vordering. Verrekening is niet toegestaan als de schuldeiser bij de overneming niet te goeder trouw was (omdat het faillissement al te verwachten was) of als de overneming pas na de faillietverklaring plaatsvond.
De ratio achter deze beperkingen is dat verrekening leidt tot benadeling van de overige schuldeisers. Zij kunnen zich immers niet meer verhalen op de vordering die de gefailleerde op de verrekenende schuldeiser had. Dat doet afbreuk aan de gelijkheid van schuldeisers (paritas creditorum), een kernbeginsel van de Faillissementswet.
Waarom banken een bijzondere positie innemen
De inbreuk op het beginsel van gelijkheid van schuldeisers wordt uitvergroot wanneer banken zowel het betalingsverkeer als de financiering verzorgen en bij het faillissement van hun rekeninghouder gebruikmaken van de mogelijkheid tot verrekening. Dat werkt als volgt.
- De creditering: een debiteur voldoet een factuur op de bankrekening
- De schuld: het geld komt in handen van de bank, waardoor schuld van de bank aan de rekeninghouder ontstaat
- De verrekening: de bank streept deze schuld direct weg tegen haar eigen vorderingen, bijv. uit hoofde van een debetsaldo of verstrekte kredieten
Zou verrekening te allen tijde mogelijk zijn, dan zou dit tot gevolg hebben dat de opbrengsten uit de debiteurenportefeuille in feite grotendeels ten goede komen aan de bank. De Hoge Raad oordeelde eerder al meermaals dat deze uitzonderingspositie niet te rechtvaardigen valt en dat de creditering van een bankrekening met een bedrag dat van een derde afkomstig is om die reden moet worden aangemerkt als de ‘overneming van een schuld van een derde’ in de zin van artikel 54 Faillissementswet. Verrekening van ontvangen bedragen is dan ook uitgesloten als de bank op het moment van creditering wist dat het faillissement van de rekeninghouder te verwachten was.[3] Een uitzondering geldt alleen als deze overboekingen de betaling vormden van vorderingen die al stil verpand waren aan de bank.[4]
Hoge Raad ziet geen ruimte voor een uitzondering
Het is dus vaste rechtspraak dat een bank zich niet op verrekening mag beroepen ten aanzien van betalingen die binnenkomen nadat het ‘peilmoment’ van artikel 54 Faillissementswet is ingetreden.[5] De vraag die in deze zaak centraal stond, was of er een uitzondering moet worden gemaakt op deze regel voor zover de bank na dat moment ook nog uitgaande betalingen heeft verricht. De Hoge Raad beantwoordt deze vraag onder verwijzing naar de hiervoor besproken vaste rechtspraak kort en duidelijk: er bestaat geen aanleiding om een dergelijk uitzondering te aanvaarden. Verrekening door de bank is dus ook in deze gevallen niet toegestaan.
Definitief einde van de salderingsleer
Met dit arrest zet de Hoge Raad definitief een streep door de salderingsleer. Artikel 54 Faillissementswet verhindert dat een bank de bedragen die zij na het moment dat zij wist dat het faillissement te verwachten was nog heeft uitgegeven, aftrekt van het bedrag dat zij aan de curator moet terugbetalen. Alle bijschrijvingen die binnenkomen nadat de bank op de hoogte was van het naderende faillissement, moeten volledig aan de boedel worden afgedragen. Het maakt daarbij niet uit of de bank met dat geld in de tussentijd nog betalingen voor de klant heeft verricht. Of dit, zoals de Rabobank in deze procedure had aangevoerd, ertoe zal leiden dat banken bij klanten in financiële moeilijkheden eerder de financiering zullen beëindigingen dan wel de uitvoering van betalingsopdrachten zullen staken, zal in de praktijk nog moeten blijken.
[1] Zie B.A. Schuijling, ‘Saldering in de 54-periode, Het bancaire belang’, in: B.A. Schuijling, M. van Wingerden & P.M.P. Frenken (red.), Het bancaire belang. Opstellen aangeboden aan mr. ing. H.J. Damkot, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 179-193.
[2] De Hoge Raad wees diezelfde dag een tweede arrest in gelijke zin (ECLI:NL:HR:2026:391), waarin naar het hier besproken arrest wordt verwezen.
[3] HR 7 oktober 1988, ECLI:NL:HRL:1988:1, NJ 1989, 449 (Amro Bank/THB), rov. 3.3; HR 19 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3137, NJ 2005, 199 (ING/Gunning q.q.), rov. 3.8; HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2189, NJ 2019/343 (Eurocommerce), rov. 3.4.2.
[4] HR 17 februari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1641, NJ 1996, 471 (Mulder q.q./CLBN).
[5] Partijen hadden in deze procedure procesafspraken gemaakt op grond waarvan in hoger beroep als uitgangspunt gold dat Rabobank al vóór 14 april 2020 niet meer te goeder trouw was in de zin van artikel 54 Faillissementswet.