Het appelprocesrecht kent verschillende valkuilen die de kansen op een succesvol hoger beroep en een daaropvolgend cassatieberoep verkleinen. Kennis daarvan is dus van groot belang. In deze blogreeks ‘procederen in hoger beroep’ belichten onze cassatieadvocaten steeds vanuit praktisch perspectief een aspect van een belangrijk appelprocesrechtelijk leerstuk. Kennis daarvan is dus van groot belang.
Deze blog belicht het op 11 april 2025 gewezen arrest Gemeente Eindhoven/Verweerder.[1] De Hoge Raad geeft in dit arrest een nieuwe uitzondering op de ‘in beginsel strakke’ tweeconclusieregel.[2]
De casus
Op grond van de gemeente Eindhoven bevinden zich woonwagenstandplaatsen die door tussenkomst van een woningcorporatie aan particulieren worden verhuurd. Verweerder in cassatie huurt een van die woonwagenstandplaatsen en heeft daarop een woonwagen en bijbehorende bouwwerken geplaatst. De gemeente stelt dat verweerder een strook grond naast de gehuurde woonwagenstandplaats in gebruik heeft genomen en vordert ontruiming van dat perceel.
De rechtbank wijst de vordering toe. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vordering af. Volgens het hof heeft de gemeente het recht verwerkt om van verweerder te verlangen dat tot ontruiming van het perceel wordt overgegaan. In cassatie ligt de vraag voor of het hof met dat oordeel de tweeconclusieregel heeft miskend en buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden.
Rechtsstrijd en tweeconclusieregel
De reikwijdte van de rechtsstrijd in hoger beroep wordt bepaald door het grievenstelsel: de appelrechter heeft in beginsel slechts te oordelen over behoorlijk naar voren gebrachte grieven tegen de bestreden uitspraak.[3] De appellant maakt met de grieven aan de rechter en wederpartij kenbaar op welke gronden die uitspraak naar zijn overtuiging moet worden vernietigd.[4] Omdat de wederpartij moet weten waartegen hij zich heeft te verweren, rust op de appellant de plicht duidelijk te maken wat hij vordert én wat van die vordering de grondslag is.[5] Het helder communiceren van grieven is verder van belang voor de appelrechter – die immers moet weten op welke stellingen hij moet reageren – en voor een eventueel vervolg van de procedure in cassatie.[6]
Grieven kunnen op grond van de tweeconclusieregel slechts worden aangevoerd in de conclusie van eis (memorie van grieven) dan wel de conclusie van antwoord (memorie van antwoord).[7] In beginsel mag de appelrechter geen acht slaan op grieven die pas na de uitwisseling van conclusies worden aangevoerd.[8] Dat geldt ook voor nieuwe feiten, stellingen en eiswijzigingen.[9] Tijdig ingenomen stellingen mogen later wel worden uitgewerkt.[10] Naast het reeds genoemde doel – de wederpartij laten weten waartegen hij zich heeft te verweren – strekt de tweeconclusieregel ertoe het debat in hoger beroep te beperken.[11]
Op deze “in beginsel strakke” regel[12] heeft de Hoge Raad legio[13] uitzonderingen aanvaard, die zich grofweg laten onderverdelen in drie categorieën:[14]
- De wederpartij heeft er ondubbelzinnig in toegestemd dat de grief alsnog in de rechtsstrijd wordt betrokken, waarbij de wederpartij die inhoudelijk op de grief ingaat zonder bezwaar te maken tegen het late moment waarop de grief is aangevoerd, wordt geacht deze ondubbelzinnige toestemming te hebben gegeven;[15]
- Vanwege de aard van het geschil brengt de goede procesorde mee dat een uitzondering moet worden aangenomen, zoals bij een procedure tot wijziging van alimentatie;[16]
- Onverkorte toepassing van de regel zou leiden tot strijd met de goede rechtsorde. Binnen deze restcategorie valt onder meer het geval dat een grief redelijkerwijs niet eerder in het geding naar voren kon worden gebracht – bijvoorbeeld omdat een cruciaal processtuk nog niet voorhanden was.[17]
Conclusie A-G Valk
Advocaat-Generaal Lodewijk Valk bepleit in een zeer fraaie conclusie een soepelere variant van de tweeconclusieregel. Opgevat als strakke regel richt de tweeconclusieregel zich zowel tot partijen als tot het hof, zo beargumenteert hij.[18] In een soepelere variant zou de tweeconclusie zich primair richten tot partijen.[19] Deze wijziging zou niets veranderen aan de situatie dat partijen geen recht hebben op behandeling van te laat aangevoerde grieven, maar zou de appelrechter de ruimte geven tardieve grieven alsnog te behandelen indien hij meent dat het belang van de waarheidsvinding of juiste toepassing van het materiële recht daartoe noopt. De beoordelingsvrijheid van de appelrechter zou slechts nog worden begrensd door fundamentele beginselen van procesrecht – zoals het beginsel van hoor- en wederhoor en beginselen van een goede procesorde – en door de verplichting uitzonderingen op de tweeconclusieregel te motiveren.
Vier bezwaren tegen de huidige tweeconclusieregel
Ter onderbouwing van zijn standpunt voert Valk vier bezwaren aan tegen de huidige strakke tweeconclusieregel.[20] Ten eerste zou de strakke variant de kans vergroten dat de zaak op basis van processuele feiten in plaats van materiële feiten wordt beslist.[21] Doordat relevante maar te laat aangevoerde stellingen en argumenten in beginsel buiten beschouwing blijven, kan de strakke tweeconclusieregel afbreuk doen aan een effectieve toepassing van materiële rechtsregels zoals de wetgever die heeft beoogd. In het verlengde daarvan beargumenteert Valk ten tweede dat een strakke tweeconclusieregel het zwaartepunt van de procedure kan verschuiven richting een procesrechtelijk debat, hetgeen afleidt van waar het om zou moeten gaan, “namelijk wat de juiste feiten zijn en welke uitkomst gegeven die feiten in overeenstemming met het materiële recht is”.[22]
Ten derde acht Valk onwenselijk dat de strakke handhaving van de tweeconclusieregel in de weg staat aan “een gezonde ontwikkeling van de suggestiebevoegdheid van de appelrechter”.[23] De rechter mag een partij, mits het partijdebat daarvoor aanknopingspunten biedt, door middel van het stellen van vragen en het bespreken van de aangevoerde grondslag wijzen op hiaten in zijn betoog en aldus sturing geven aan het partijdebat.[24] Deze ‘suggestiebevoegdheid’ wordt volgens Valk sterk beperkt door een strakke tweeconclusieregel, omdat dan suggesties van de rechter bijna[25] per definitie te laat komen om nog stellingen of gronden aan te kunnen vullen.
Ten slotte meent Valk dat een strakke toepassing van de tweeconclusieregel het risico op fouten vergroot. In zijn strakke vorm is tweeconclusieregel met zijn drietal uitzonderingen – die eveneens strak zijn ingekaderd en zodoende “ieder hun eigen voetangels en klemmen kennen” – dermate complex dat advocaten en rechters volgens Valk “te veel fouten maken”.[26] Ook om die reden wordt het materiële recht naar zijn idee vaak niet verwezenlijkt.
Beoogd effect
Valk benadrukt dat zijn soepele variant niet als doel heeft de tweeconclusieregel te schrappen of te ondermijnen, maar met een minimale ingreep beoogt procesrechtelijke muggenzifterij tegen te gaan en de doelstellingen van het materiële recht te bevorderen.[27] Omdat de appelrechter tardieve grieven en stellingen in beginsel buiten beschouwing laat, blijft de stimulans om grieven tijdig aan te voeren bestaan, zo is de gedachte.[28] Daarnaast blijven de eisen van een goede procesorde gewaarborgd. Bijvoorbeeld doordat de appelrechter, indien hij aanleiding ziet om een tardieve grief of stelling mee te nemen in zijn overwegingen, de wederpartij eerst voldoende in de gelegenheid moet stellen om te reageren.[29]
Valk verwacht verder dat de kans op cassatieprocedures over al dan niet onjuiste toepassingen van de tweeconclusieregel afneemt. Door de appelrechter meer autonomie te geven bij de toepassing van de tweeconclusieregel, krijgt die toets een zuiver feitelijk karakter. Een dergelijk oordeel is voorbehouden aan de feitenrechter, zodat de gang naar de Hoge Raad niet loont, tenzij de appelrechter onvoldoende gemotiveerd een uitzondering op de tweeconclusieregel aanneemt of fundamentele beginselen van procesrecht schendt.[30]
Toepassing strakke en soepele variant op onderhavige casus
Tegen de achtergrond van het voorgaande concludeert Valk tot vernietiging van de bestreden uitspraak in de onderhavige zaak. Valk constateert dat hier twee vragen voorliggen: (i) moet het arrest van het hof zo worden gelezen dat het hof het beroep op rechtsverwerking reeds in de grieven leest, en zo ja, (ii) is die uitleg begrijpelijk?[31] Een strakke tweeconclusieregel zou slechts tot vernietiging kunnen leiden indien een van beide vragen ontkennend wordt beantwoord.[32] Valk acht echter een positieve beantwoording van beide vragen op zijn plaats. Weliswaar heeft de gemeente het rechtsverwerkingsverweer niet in de memorie van grieven gelezen en is dat “alleszins invoelbaar”, maar het voert volgens Valk te ver om te stellen dat het hof de grieven niet zo welwillend heeft mogen lezen als het heeft gedaan.[33] Aldus leidt de strakke opvatting tot verwerping van het beroep. Die uitkomst lijkt niet gewenst, gezien de vaststelling dat de gemeente begrijpelijkerwijs géén rechtsverwerkingsverweer in de memorie van grieven heeft gelezen en zich daarover dan ook niet heeft uitgelaten.
De soepele variant biedt hier soelaas. In die variant is niet bepalend of het hof het rechtsverwerkingsverweer in de memorie van grieven leest of dat ontleent aan het uitdrukkelijke beroep op rechtsverwerking tijdens de mondelinge behandeling. In beide gevallen staat de kwaliteit van het debat voorop – het hof, gebonden aan de beginselen van een goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor, draagt daarvoor de verantwoordelijkheid.[34] Redenerend vanuit de kwaliteit van het debat, stelt Valk vast dat het niet aan het hof kan zijn ontgaan dat de gemeente niets had gezegd over rechtsverwerking.[35] Gezien de verschillende manieren waarop de memorie van grieven kon worden gelezen, had het hof ten minste rekening moeten houden met de mogelijkheid dat de gemeente dat verweer daar niet in had gelezen. Tegen die achtergrond kon het hof – in de soepele opvatting – niet op basis van het rechtsverwerkingsverweer beslissen zonder de gemeente in staat te stellen zich daarover uit te laten. Die schending van het beginsel van hoor en wederhoor noopt vervolgens tot vernietiging.
Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad komt tot dezelfde conclusie als Valk, maar via een andere route. Onjuist noch onbegrijpelijk acht hij ’s hofs kennelijke oordeel dat het rechtsverwerkingsverweer “zozeer in het verlengde lag” van de overige grieven en hetgeen ter onderbouwing daarvan is aangevoerd, dat de tweeconclusieregel hier geen beletsel vormde.[36] Met een nieuwe uitzondering op de tweeconclusieregel voorkomt hij echter dat het cassatieberoep van de gemeente wordt verworpen:[37]
“De rechter in hoger beroep die in een zaak een geschilpunt in de beslissing betrekt dat in het verlengde ligt van de reeds aangevoerde grieven dient, alvorens op dat geschilpunt te beslissen, zich ervan te vergewissen dat de wederpartij zich over dat geschilpunt voldoende heeft kunnen uitlaten en daartoe zo nodig alsnog gelegenheid te bieden.” [38]
Aldus vernietigt de Hoge Raad het bestreden arrest vanwege een schending van het beginsel van hoor en wederhoor.[39] Dat oordeel is in die zin gelijk aan het advies van Valk, maar verschilt toch wezenlijk omdat de Hoge Raad kennelijk liever een uitzondering maakt op de strakke tweeconclusieregel dan te kiezen voor de door Valk gesuggereerde soepele opvatting.
Implicaties van de nieuwe uitzondering
Ten opzichte van de hiervoor onder ‘Rechtsstrijd en tweeconclusieregel’ opgesomde uitzonderingen is met dit arrest nóg een uitzondering op de tweeconclusieregel aanvaard. Deze uitzondering doet zich alleen voor in gevallen dat de appelrechter in zijn beslissing een geschilpunt betrekt dat in het verlengde ligt van de reeds aangevoerde grieven én dat voor de wederpartij mogelijk niet kenbaar was. Dat is een bijzondere categorie gevallen. Daarvan is immers slechts sprake wanneer de appelrechter een grief als zodanig mocht herkennen, maar tegelijkertijd de wederpartij niet kan worden verweten die grief níet als zodanig te hebben herkend. Of het hof een grief als zodanig mag herkennen wordt door de Hoge Raad begrensd door de begrijpelijkheid van ‘s hofs oordeel. Dat laat zich rijmen met het gegeven dat de uitleg van grieven is voorbehouden aan de appelrechter en in cassatie beperkt wordt getoetst.[40]
Toch is de mate van beoordelingsvrijheid die het hof hier toekomt opvallend groot gezien het doel van de tweeconclusieregel: de wederpartij kenbaar maken waar hij zich tegen heeft te verweren. Dit kenbaarheidsvereiste betreft een geobjectiveerde toets: het enkele feit dat de geïntimeerde de grief niet als zodanig heeft herkend, betekent niet dat die onvoldoende kenbaar was.[41] Indien moet worden geconstateerd – zoals in het onderhavige geval – dat de wederpartij een grief redelijkerwijs niet als zodanig behoefde te herkennen, lijkt voor de hand te liggen dat de grief als niet behoorlijk naar voren gebracht terzijde zal worden geschoven. Uit de enkele vaststelling dat de wederpartij niet bedacht hoefde te zijn op de grief, kan immers reeds worden afgeleid dat de grief onvoldoende kenbaar was. De beoordelingsvrijheid van de appelrechter zou dan door de geobjectiveerde kenbaarheidstoets worden beperkt.
Dat is echter niet waar de Hoge Raad voor kiest. Hij probeert de kool en de geit te sparen door een categorie gevallen te introduceren waarin de wederpartij een grief niet als zodanig behoefde te herkennen, maar de appelrechter die grief wel in de memorie van grieven heeft gelezen en ook mocht lezen. Klaarblijkelijk moet de appelrechter zich dan realiseren dat zijn interpretatie niet evident is; op hem rust immers de plicht de wederpartij die over de grief niets aanvoert van zijn lezing op de hoogte te stellen. Aldus maakt de Hoge Raad de tweeconclusie niet minder ‘digitaal’ – zoals Valk bepleit[42] – maar voegt een derde, strak omlijnde categorie toe: naast ‘kenbaar’ en ‘niet-kenbaar’ bestaat nu ook de categorie ‘beperkt kenbaar’.
Betekenis van de nieuwe uitzondering voor de praktijk
Het leerstuk wordt er met deze uitzondering beslist niet overzichtelijker op, noch voor partijen, noch voor appelrechters. Weliswaar kan een wederpartij die wordt geconfronteerd met een niet-evidente grief die in het verlengde ligt van reeds aangevoerde grieven zich zekerheidshalve van de domme houden. Zijn belang lijkt dan gewaarborgd: ofwel de appelrechter gaat aan de niet-evidente grief voorbij, ofwel de appelrechter biedt hem uitdrukkelijk de mogelijkheid te reageren, ofwel hij kan in cassatie met succes klagen dat de appelrechter hem die mogelijkheid niet heeft geboden. Hij bewandelt daarmee evenwel een gevaarlijk pad, want als in cassatie blijkt dat hij de grief wel als zodanig had moeten herkennen, zal zijn cassatieberoep falen. Anderzijds betekent zekerheidshalve wél reageren op een niet-evidente grief erkenning van die grief. Dat is evenmin een verstandige processtrategie.
Kanttekening bij soepele opvatting
In licht van het voorgaande lonkt de soepele opvatting die Valk voorstaat verleidelijk. Door het oordeel over de tweeconclusieregel in het feitelijk domein te trekken en het zwaartepunt te verschuiven naar de kwaliteit van het debat – gedefinieerd door fundamentele beginselen van procesrecht – haalt Valk de scherpe randjes van de tweeconclusieregel en verdwijnt het belang van partijen om tot in cassatie op het scherpst van de snede een discussie te voeren over de vraag of grieven tijdig en voldoende kenbaar zijn aangevoerd.
Daarmee is niet gezegd dat de soepele variant van de tweeconclusieregel ook de heilige graal is die Valk ons voorspiegelt. Zo is niet ondenkbaar dat Valk de stimulans om grieven tijdig aan te voeren wat te rooskleurig voorstelt. Zijns inziens blijft die stimulans behouden doordat de appelrechter ook bij een soepele tweeconclusieregel in beginsel geen acht zal slaan op tardieve grieven. Het is evenwel niet uitgesloten dat – zeker in langslepende procedures waarbij een partij baat heeft bij het rekken van de procedure – de soepele variant uitnodigt tot het uitentreuren aanvoeren van nieuwe grieven en stellingen onder het mom van ‘niet geschoten is altijd mis’. Voorts valt te denken aan de mogelijkheid dat de beperking van de lengte van processtukken in hoger beroep wordt ondergraven. In de soepele opvatting loont mogelijk de strategie om de memorie van grieven te vullen met de sterkste grieven, om dan later in de procedure alsnog minder sterke argumenten over de schutting te werpen. Om dergelijke praktijken in de kiem te smoren, behoeft de soepele tweeconclusieregel mogelijk toch aanvulling. Gedacht kan worden aan een strikt verbod op cherrypicking door een appelrechter indien een groot aantal grieven en stellingen tardief wordt aangevoerd. Daarmee zou de variant echter aan eenvoud inboeten en duikt weldra de vraag op: hoe definieert men ‘een groot aantal’?
Tot slot
Valk verwijst in een voetnoot naar de verzuchting van Henk Snijders in diens handboek Civiel appel, waarmee Snijders – als ware het een voorafschaduwing – de kritiek van Valk reeds in 2009 verwoordt.[43] Ik zie in het hiervoor besproken arrest aanleiding die verzuchting te citeren en sluit daarmee af.
“Moge dit commentaar afgesloten worden met een verzuchting. Andermaal is zich op een deelterrein van het recht schier eindeloze rechtspraak aan het ontwikkelen. De hanteerbaarheid van het appelprocesrecht neemt hiermee verder af. De kans op cassatie neemt intussen toe. Men zou willen dat het binnen de grenzen van de eisen van hoor en wederhoor aan de discretie van de appelrechter wordt overgelaten te bepalen of er in een bepaalde zaak aanleiding is voor een uitzondering op de in beginsel strakke regel, zodat de aandacht verlegd wordt van de vraag wat nog behandeld kan worden naar de behandeling zelf.” [44]
[1] HR 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:561.
[2] De tweeconclusieregel is al eens in deze blogreeks besproken in deze blog.
[3] H.E Ras & A. Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken (BPP nr. 4), Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 16. Om die reden ook wel het “door grieven ontsloten gebied” genoemd (nr. 18).
[4] H.E Ras & A. Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken (BPP nr. 4), Deventer: Wolters Kluwer 2017, nrs. 16-17.
[5] H.E Ras & A. Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken (BPP nr. 4), Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 17, onder verwijzing naar HR 24 april 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4182, NJ 1981/495.
[6] H.E Ras & A. Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken (BPP nr. 4), Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 19; T&C commentaar op art. 347 Rv (P. Koerts, 2025), aant. 2 onder b.
[7] Artikel 347 lid 1 Rv; T&C commentaar op art. 347 Rv (P. Koerts, 2025), aant. 1 onder a.
[8] HR 11 november 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4687, RvdW 1983/194, rov. 3.6.
[9] HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21 m.nt. J.M.M. Maeijer en H.J. Snijders (Willemsen/NOM), rov. 4.2.2-4.2.4.
[10] T&C commentaar op art. 347 Rv (P. Koerts, 2025), aant. 2 onder e, onder verwijzing naar HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1301, NJ 2012/293 (De Beeldbrigade/Hulskamp), rov. 3.9.
[11] HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21 m.nt. J.M.M. Maeijer en H.J. Snijders (Willemsen/NOM), rov. 4.2.2.
[12] HR 26 april 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0225, NJ 1992/407 m.nt. J.B.M. Vranken, rov. 3.4; H.J. Snijders & A. Wendels, Civiel appel (BBP nr. 2), Deventer: Kluwer 2009, nr. 162, onder verwijzing naar HR 15 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:AD4660, NJ 2000/21 m.nt. P.A. Stein, rov. 3.4 en HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1712, NJ 2006/471 (Roijakkers/Engelen), rov. 3.4).
[13] Vgl. de opsomming in H.J. Snijders & A. Wendels, Civiel appel (BBP nr. 2), Deventer: Kluwer 2009, nr. 162 (p. 155-157).
[14] T&C commentaar op art. 347 Rv (P. Koerts, 2025), aant. 2 onder c.
[15] HR 11 november 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4687, RvdW 1983/194, rov. 3.6; HR 26 april 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0225, NJ 1992/407 m.nt. J.B.M. Vranken, rov. 3.3.
[16] HR 26 april 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0225, NJ 1992/407 m.nt. J.B.M. Vranken, rov. 3.4-3.5.
[17] H.J. Snijders & A. Wendels, Civiel appel (BBP nr. 2), Deventer: Kluwer 2009, nr. 162.
[18] Concl. A-G W.L. Valk 29 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1275, bij HR 11 april 2025, onder 3.18.
[19] Concl. A-G W.L. Valk 29 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1275, bij HR 11 april 2025, onder 3.19.
[20] Concl. A-G W.L. Valk 29 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1275, bij HR 11 april 2025, onder 3.26-3.35.
[21] Concl. A-G W.L. Valk 29 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1275, bij HR 11 april 2025, onder 3.27.
[22] Concl. A-G W.L. Valk 29 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1275, bij HR 11 april 2025, onder 3.28-3.30.
[23] Concl. A-G W.L. Valk 29 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1275, bij HR 11 april 2025, onder 3.31-3.34.
[24] Artikel 24 lid 2 Rv; T&C Rv, commentaar op art. 24 Rv (F.J.P. Lock, 2025), aant. 3 onder a.
[25] Als uitzondering noemt Valk onder meer de mogelijkheid van “een rechterlijke interventie bij gelegenheid van een comparitie na aanbrengen” (Concl. A-G W.L. Valk 29 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1275, bij HR 11 april 2025, onder 3.33).
[26] Concl. A-G W.L. Valk 29 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1275, bij HR 11 april 2025, onder 3.35.
[27] Concl. A-G W.L. Valk 29 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1275, bij HR 11 april 2025, onder 3.38.
[28] Concl. A-G W.L. Valk 29 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1275, bij HR 11 april 2025, onder 3.38, 3.41.
[29] Concl. A-G W.L. Valk 29 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1275, bij HR 11 april 2025, onder 3.41-3.42.
[30] Concl. A-G W.L. Valk 29 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1275, bij HR 11 april 2025, onder 3.40: “Alleen op de uitersten van het spectrum kan nog controle door de cassatierechter nodig zijn om uitwassen te voorkomen”.
[31] Concl. A-G W.L. Valk 29 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1275, bij HR 11 april 2025, onder 3.54.
[32] Concl. A-G W.L. Valk 29 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1275, bij HR 11 april 2025, onder 3.62.
[33] Concl. A-G W.L. Valk 29 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1275, bij HR 11 april 2025, onder 3.61-3.62.
[34] Concl. A-G W.L. Valk 29 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1275, bij HR 11 april 2025, onder 3.65.
[35] Concl. A-G W.L. Valk 29 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1275, bij HR 11 april 2025, onder 3.66.
[36] HR 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:561, rov. 3.3.
[37] Vgl. hiervoor onder ‘Toepassing strakke en soepele variant op onderhavige casus’.
[38] HR 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:561, rov. 3.4.
[39] HR 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:561, rov. 3.4.
[40] Concl. A-G W.L. Valk 29 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1275, bij HR 11 april 2025, onder 3.56; T&C commentaar op art. 347 Rv (P. Koerts, 2025), aant. 2 onder e.
[41] Concl. A-G W.L. Valk 29 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1275, bij HR 11 april 2025, onder 3.58.
[42] Concl. A-G W.L. Valk 29 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1275, bij HR 11 april 2025, onder 3.50.
[43] Concl. A-G W.L. Valk 29 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1275, bij HR 11 april 2025, voetnoot 39.
[44] H.J. Snijders & A. Wendels, Civiel appel (BBP nr. 2), Deventer: Kluwer 2009, nr. 162; ook in H.J. Snijders, annotatie bij HR 20 juni 2008, NJ 2009/21 (Willemsen/NOM), onder 12.