Een metaalrecyclingbedrijf huurt vanaf 2012 een perceel van verhuurder. Ter indeling en omheining van het terrein plaatst het daar 110 containers gevuld met schroot en schroothoudend zand. Het bedrijf gaat in 2015 failliet. Eind 2017 zegt de curator de huurovereenkomst op en laat het terrein ontruimen. Hij weigert echter de containers te verwijderen; het laten saneren van het vervuilde zand is hem te kostbaar. De schade bedraagt zo’n € 880.000. Verhuurder cedeert zijn schadevergoedingsvordering aan verweerders.[1] In cassatie ligt de vraag voor of de vordering van verweerders kwalificeert als een boedelvordering of een concurrente faillissementsvordering.
Faillissements- en boedelvorderingen
Het onderscheid tussen faillissementsvorderingen en boedelvorderingen komt voort uit de systematiek van het faillissementsrecht. Om na faillissement het vermogen van de schuldenaar – de boedel – te verdelen onder de schuldeisers krijgen die na de faillietverklaring in beginsel geen nieuwe rechten ten opzichte van dat vermogen, tenzij de aanspraken reeds vóór de faillietverklaring zijn ontstaan.[2] Hun vorderingen kwalificeren als faillissementsvorderingen en moeten – tenzij gedekt door een zekerheidsrecht – ter verificatie worden ingediend.[3] Boedelvorderingen (ofwel boedelschulden) ontstaan ná het faillissement en zijn, anders dan faillissementsvorderingen, vorderingen op de boedel als zodanig. Dankzij hun directe aanspraak op de boedel hoeven boedelschuldeisers het proces van verificatie en uitdeling in het faillissement niet af te wachten. De boedelvorderingen moeten dus eerst worden voldaan, voordat de resterende boedel kan worden verdeeld onder de overige schuldeisers.[4]
In het arrest Koot Beheer/Tideman onderscheidt Hoge Raad drie ontstaansgronden voor boedelschulden: (i) schulden ingevolge de wet, (ii) schulden door de curator in zijn hoedanigheid aangegaan, of (iii) schulden als gevolg van handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting.[5]
Verwijderingsplicht
In het hier centraal staande geschil ligt de vraag voor of de vordering van verweerders in de derde categorie valt. Meer specifiek gaat het om de vraag of op de curator een plicht tot verwijdering van de containers rustte. In dat verband is ook het arrest VKP/Curatoren Aldel van belang, waarin de Hoge Raad overweegt:
Indien de wederpartij van de failliet, zoals in het onderhavige geval, geen eigenaar is van het gebouw waarin of van het terrein waarop zich na ontbinding van de overeenkomst nog tot de boedel behorende zaken bevinden, maar zij daarvan wel een exclusief gebruiksrecht heeft, ontleent zij aan dat gebruiksrecht in beginsel evenzeer het recht om van de curator verwijdering van die zaken te verlangen.[6]
De curator en verweerders zijn het erover eens dat de curator de containers had moeten verwijderen indien dat roerende zaken zouden zijn geweest.[7] In dit geval wordt echter tot uitgangspunt genomen dat de containers door natrekking onroerend zijn geworden.[8] De vraag is vervolgens of ook dan een plicht tot verwijdering bestaat.
In zijn conclusie constateert A-G Snijders dat in de literatuur ten aanzien van dit vraagstuk wordt geredeneerd dat de failliet als gevolg van de natrekking geen eigenaar meer is van de zaken, zodat op hem geen verwijderingsplicht kan rusten.[9] Mogelijk heeft hij wel onrechtmatig gehandeld jegens de eigenaar van de grond door natrekking te laten plaatsvinden, maar indien dat onrechtmatig handelen – zoals in dit geval – reeds vóór het faillissement heeft plaatsgevonden, levert dat slechts een verbintenis tot betaling van schadevergoeding op: een faillissementsvordering en geen boedelvordering.[10]
Indien de vordering als faillissementsvordering kwalificeert, is de kans dat verweerders die volledig voldaan zullen zien aanzienlijk kleiner dan wanneer ze voor boedelschuld doorgaat. Van een boedelschuld is volgens de curator echter geen sprake: door natrekking van de containers zou geen sprake zijn van een verwijderingsplicht als bedoeld in het VKP/Curatoren Aldel-arrest.
Oordeel hof
Het hof overweegt dat na natrekking “strikt genomen” geen sprake meer is van inbreuk op het eigendomsrecht van de verhuurder. Echter, door het achterlaten van de containers is een “aanzienlijke negatieve waarde […] toegevoegd” aan het perceel. Vanwege de zeer grote gelijkenis met de situatie waarin roerende zaken met een negatieve waarde zijn achtergelaten, acht het hof analoge toepassing van de verwijderingsplicht van het VKP/Curatoren Aldel-arrest toch op zijn plaats. Daarmee stapt het hof over het natrekkingsargument van de curator heen.[11]
Conclusie A-G
A-G Snijders benadert het natrekkingsargument systematischer.[12] Zijn vertrekpunt is de ratio van natrekking: rechtszekerheid.[13] Hij benadrukt dat natrekking “niet [berust] op overwegingen van billijkheid, maar uitsluitend een ordeningsprincipe [is]”.[14] Natrekkingsregels hebben weliswaar een dwingendrechtelijk karakter, zodat aan hun werking niet valt te ontkomen, maar de ratio verzet zich niet tegen een verwijderingsplicht, zo meent hij:
Het eenheidsbeginsel en de rechtszekerheid of de vertrouwensbescherming waar het bij de natrekking dwingendrechtelijk om gaat, zijn niet in het geding bij die verwijderingsplicht. Verwijdering heeft immers tot gevolg dat van natrekking geen sprake meer is, doordat de verwijderde zaak fysiek is losgemaakt van de hoofdzaak.[15]
Aldus vanuit het gevolg redenerend, maakt hij de weg vrij voor de rechtvaardiging van een verwijderingsplicht à la VKP/Curatoren Aldel ingeval van natrekking. In dat verband merkt hij op dat de eigenaar er alle belang bij heeft om zich te verzetten tegen het aanbrengen van een zaak op zijn grond, die door die grond wordt nagetrokken, en dat een reguliere vordering tot schadevergoeding in voorkomende gevallen dan niet volstaat.[16]
Een ander argument voor het aannemen van een verwijderingsplicht na natrekking ontleent Snijders aan het huurrecht, waar de verhuurder te allen tijde kan vorderen dat zonder zijn toestemming aangebrachte veranderingen door de huurder ongedaan worden gemaakt. De wetgever noemt in die context uitdrukkelijk de mogelijkheid dat de verhuurder door natrekking eigenaar is geworden van de zaken die de huurder heeft aangebracht.[17]
Mede op grond van deze argumenten komt Snijders tot verwerping van het beroep van de curator.[18] Cruciaal in zijn redenering is de (in potentie) tijdelijke aard van de natrekking:
Als een zaak is aangebracht in of op de zaak van een ander, hangt de verwijderingsplicht zozeer samen met die zaak die vóór het aanbrengen daarvan en ná de verlangde verwijdering daarvan eigendom is van degene die deze heeft aangebracht, […] dat het bepaald voor de hand ligt om deze zaak hoewel deze op dat moment, voor even, geen eigendom is van de gefailleerde[, wel] tot de boedel te rekenen als het verwijderingsrecht wordt ingeroepen en de verwijderingsplicht dan dus aan te merken een objectieve rechtsplicht die tot de boedel behoort.[19]
Aldus kan volgens Snijders een plicht tot verwijdering slechts worden aangenomen indien de natrekking (in potentie) tijdelijk is. Verderop schrijft hij dan ook “dat het voorgaande uitsluitend ziet op het zich in deze zaak voordoende geval dat sprake is van aangebrachte en nagetrokken zaken die als zodanig weer los kunnen worden gemaakt van de zaak van een ander”.[20] Het gevolg van het (met succes) inroepen van de verwijderingsplicht draagt dus bij aan de rechtvaardiging voor het ‘wegdenken’ van de natrekking en daarmee aan het kunnen bestaan van de verwijderingsplicht zelf.
Oordeel Hoge Raad
Ook de Hoge Raad komt tot verwerping.[21] Hij oordeelt dat een verwijderingsplicht ook betrekking kan hebben op zaken die vóór het faillissement door natrekking uit de boedel zijn geraakt:
Niet uitgesloten is dat onder omstandigheden op de curator een eigen, uit art. 6:162 BW voortvloeiende rechtsplicht rust om zaken te verwijderen die op enig tijdstip voorafgaand aan het intreden van het faillissement als gevolg van natrekking uit het vermogen van de schuldenaar zijn geraakt en dus niet tot de boedel behoren.[22]
De Hoge Raad lijkt met deze beslissing de discrepantie tussen de situaties waarin wel en waarin geen natrekking plaatsvindt, te hebben willen wegnemen. Daarmee krijgt de verwijderingsplicht van het VKP/Curatoren Aldel-arrest effectief een groter bereik. Het valt daarbij op dat de Hoge Raad zich niet kenbaar rekenschap geeft van de doorbreking van de natrekkingsleer die deze beslissing met zich brengt.
Implicaties arrest
Ogenschijnlijk zijn de implicaties van dit arrest groot: (i) goederenrechtelijk voor het natrekkingsleerstuk, (ii) faillissementsrechtelijk voor de positie van de curator en (iii) rechtseconomisch voor de positie van schuldeisers lager in rang dan de boedelschuldeiser met de verwijderingsvordering. De specifieke omstandigheden die Snijders aan de uitzondering stelt, doen echter vermoeden dat het toepassingsbereik mee zal vallen. Hij onderstreept immers dat de doorbreking van de natrekkingsleer slechts denkbaar is in gevallen waarin nagetrokken zaken “weer los kunnen worden gemaakt”. Strikt bezien geldt voor een breed scala aan nagetrokken zaken dat die ‘weer los kunnen worden gemaakt’ – de vraag is met hoeveel kosten en moeite. Een welwillende lezing van de conclusie van Snijders leert evenwel dat hij slechts oog heeft op zaken die zich eenvoudig en zonder (veel) schade laten verwijderen.
De behoudende formulering door de Hoge Raad (“Niet uitgesloten is dat […]”) wijst in dezelfde richting. Denkelijk reageert de Hoge Raad daarmee op de formulering van het middel, die – zo doet de omschrijving door A-G Snijders en Hoge Raad vermoeden –absoluut is ingestoken. De klacht zou dan luiden dat in geen geval een verwijderingsplicht kan worden aangenomen indien de aangebrachte zaken zijn nagetrokken door de grond. De Hoge Raad acht die stelling onjuist: onder omstandigheden is een uitzondering denkbaar.
Incidentele vordering
Een tweede geschilpunt – voor de rechtsontwikkeling van ondergeschikt belang – betreft de omvang van de rechtsstrijd. Verweerders stellen met een incidenteel cassatieberoep aan de orde dat het hof buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden door ongevraagd aan het dictum toe te voegen dat verweerders het (inmiddels door de curator betaalde) bedrag terug dienen te betalen indien en voor zover zou blijken dat de boedel niet toereikend is om alle boedelvorderingen te voldoen.[23] Deze klacht slaagt wel: kort gezegd heeft de curator hiertoe niets gevorderd. De Hoge Raad casseert en doet de zaak zelf af door het dictum op dit punt te wijzigen.
[1] Onder wie overigens ook de voormalig bestuurder van het gefailleerde metaalrecyclebedrijf, tot ontsteltenis van de curator (Rb Noord-Holland 19 januari 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:243, rov. 5.10).
[2] Concl. A-G G. Snijders, ECLI:NL:PHR:2025:786, bij HR 10 oktober 2025, onder 3.3.
[3] Concl. A-G G. Snijders, ECLI:NL:PHR:2025:786, bij HR 10 oktober 2025, onder 3.4.
[4] Concl. A-G G. Snijders, ECLI:NL:PHR:2025:786, bij HR 10 oktober 2025, onder 3.4.
[5] HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6108, NJ 2013/291 m.nt. F.M.J. Verstijlen (Koot Beheer/Tideman), rov. 3.7.1.
[6] HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:563, NJ 2018/142 m.nt. F.M.J. Verstijlen (VKP/Curatoren Aldel), rov. 3.5.
[7] Hof Amsterdam 2 april 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:824, rov. 5.5.
[8] Het hof heeft tot uitgangspunt genomen dat de containers onroerend zijn (Hof Amsterdam 2 april 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:824, rov. 5.4).
[9] Concl. A-G G. Snijders, ECLI:NL:PHR:2025:786, bij HR 10 oktober 2025, onder 3.20, onder verwijzing naar: P.C. van Es, De actio negatoria (diss. Leiden), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2005, par 18.4.6; J.J. van der Helm, Het rechterlijk bevel en verbod, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 77 en A.A.J. Smelt, Goederen met negatieve waarde in het Nederlandse vermogensrecht (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2006, par. 6.10.
[10] Concl. A-G G. Snijders, ECLI:NL:PHR:2025:786, bij HR 10 oktober 2025, onder 3.20.
[11] Op vergelijkbare wijze als daarvoor de rechtbank, die redenerend vanuit een inbreuk op het eigendom en het exclusieve gebruiksrecht van verhuurder een op de curator rustende verwijderingsplicht aannam (Rb Noord-Holland 19 januari 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:243, rov. 5.5).
[12] Concl. A-G G. Snijders, ECLI:NL:PHR:2025:786, bij HR 10 oktober 2025, onder 3.21-3.23.
[13] Concl. A-G G. Snijders, ECLI:NL:PHR:2025:786, bij HR 10 oktober 2025, onder 3.21.
[14] Concl. A-G G. Snijders, ECLI:NL:PHR:2025:786, bij HR 10 oktober 2025, onder 3.22.
[15] Concl. A-G G. Snijders, ECLI:NL:PHR:2025:786, bij HR 10 oktober 2025, onder 3.22-3.23.
[16] Concl. A-G G. Snijders, ECLI:NL:PHR:2025:786, bij HR 10 oktober 2025, onder 3.22.
[17] Concl. A-G G. Snijders, ECLI:NL:PHR:2025:786, bij HR 10 oktober 2025, onder 3.25-3.26.
[18] Concl. A-G G. Snijders, ECLI:NL:PHR:2025:786, bij HR 10 oktober 2025, onder 3.39-3.43.
[19] Concl. A-G G. Snijders, ECLI:NL:PHR:2025:786, bij HR 10 oktober 2025, onder 3.40.
[20] Concl. A-G G. Snijders, ECLI:NL:PHR:2025:786, bij HR 10 oktober 2025, onder 3.42.
[21] HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1528.
[22] HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1528, rov. 3.2.
[23] HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1528, rov. 4.1-4.4.