Bent u actief als aanbieder van consumptief krediet, overweegt u dat te worden of vraagt u zich af of uw activiteiten wellicht gaan kwalificeren als het aanbieden van of bemiddelen in krediet? Dan is de komende tijd voor u cruciaal. De Europese richtlijn consumentenkrediet is namelijk grondig herzien. De herziene richtlijn, de CCD II[1], moet uiterlijk 20 november 2026 van toepassing zijn in Nederland.[2]
Dit blog bespreekt de belangrijkste wijzigingen in de Wft en Boek 7 BW voor kredietaanbieders en kredietbemiddelaars als gevolg van de nieuwe wet, inclusief de aanpassingen die zijn doorgevoerd ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel[3]. We sluiten het blog af met een aantal actiepunten.
Uitbreiding toepassingsgebied: wie valt er straks óók onder de wet?
Een belangrijke wijziging is de uitbreiding van het toepassingsbereik. De definitie van ‘krediet’ wordt uitgebreid met ‘het verlenen van uitstel van betaling’. Daarmee vallen aanbieders van ‘koop nu, betaal later‘-diensten[4] en aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering (met name creditcards waarbij betaalde bedragen niet in termijnen maar maandelijks in één keer worden terugbetaald)[5], voor het eerst onder de Wft en Titel 2a van Boek 7 BW.[6]
Voor aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering geldt wel een bijzondere overgangsregel: de nieuwe regels gaan voor hen gelden zes maanden na inwerkingtreding van de wet.[7] Omdat ieder land zelf mag beslissen of de wet van toepassing wordt voor aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering, wordt pas bij afronding van het wetgevingsproces definitief duidelijk of en hoe de aanbieders van deze kaarten hun organisatie moeten voorbereiden.[8]
Niet elk uitstel van betaling valt straks overigens onder de nieuwe regels in het BW of de Wft. Voor mkb-ondernemingen die zelf (dus zonder tussenkomst van een derde) uitstel van betaling verlenen, geldt een uitzondering als de betaling volledig binnen 50 dagen na levering plaatsvindt en er geen rente of andere kosten worden gerekend.[9] Voor grote online leveranciers (niet-mkb en niet zijnde een platform) geldt een kortere termijn van 14 dagen.[10]
Bij uitstel van betaling via een platform gelden de nieuwe regels altijd, ongeacht of de consument koopt van het platform zelf of van een aangesloten verkoper. In het wetsvoorstel luidt de definitie van platform: ‘De aanbieder van een online marktplaats waarop de aanbieder niet alleen eigen roerende zaken of diensten verkoopt maar via welke marktplaats ook derden roerende zaken of diensten verkopen’.[11]
Ook huur- of leaseovereenkomsten met een optie tot koop vallen straks onder het bereik van de regels rondom consumentenkrediet (met als bovengrens € 100.000).
Vergunning- en registratieplicht: wie moet wat doen?
Aanbieders van krediet, waaronder de nieuwe aanbieders van ‘koop nu, betaal later’-diensten en kaarten met uitgestelde debitering, moeten een vergunning aanvragen bij de AFM op grond van artikel 2:60 Wft.
Voor bemiddelaars in krediet geldt de vergunningplicht van artikel 2:80 Wft. Voor een specifieke groep, te weten grote leveranciers van roerende zaken of diensten die als nevenactiviteit bemiddelen in kortlopende ‘koop nu, betaal later’-kredieten van maximaal drie maanden, geldt een lichter regime: een registratieplicht in plaats van een vergunningplicht. De aanbieder is verantwoordelijk voor de aanmelding van deze bemiddelaar bij de AFM.
Mkb-ondernemingen[12] die als nevenactiviteit bemiddelen in krediet zijn volledig vrijgesteld van de vergunning- en registratieplicht.
De richtlijn biedt de mogelijkheid om óók mkb-aanbieders van krediet vrij te stellen, maar hier is in Nederland bewust geen gebruik van gemaakt. Vanuit het oogpunt van consumentenbescherming vindt de wetgever het wenselijk dat ook deze partijen vooraf worden getoetst door de AFM en in beeld zijn voor toezicht.[13] Let op: het gaat dan om mkb-ondernemingen die kosteloos uitstel van betaling aanbieden voor meer dan 50 dagen.
Kredietwaardigheidsbeoordeling: strengere en bredere verplichtingen
De kredietwaardigheidsbeoordeling wordt aangescherpt.[14] De beoordeling moet voortaan evenredig zijn met de aard, duur, waarde en risico’s van het krediet en mag niet uitsluitend gebaseerd zijn op de kredietgeschiedenis van de consument. In de praktijk betekent dat dus dat alleen het BKR controleren niet voldoende is.
Nieuw is verder dat bij de kredietwaardigheidsbeoordeling geen gebruik mag worden gemaakt van gegevens van digitale sociale netwerken en dat bijzondere categorieën persoonsgegevens (zoals gegevens over religie of gezondheid) niet mogen worden betrokken bij de beoordeling.[15] Op dit punt heeft het uiteindelijke wetsvoorstel een significante wijziging ondergaan. In het oorspronkelijke voorstel was artikel 4:34a Wft zo geformuleerd dat verwerking van bijzondere persoonsgegevens voor de kredietwaardigheidsbeoordeling onder voorwaarden mogelijk leek. Dat was niet de bedoeling en bovendien strijdig met CCD II, die verwerking van bijzondere persoonsgegevens bij de beoordeling juist verbiedt. Na het advies van de Raad van State is de bepaling herschreven en zal artikel 4:34a lid 1 Wft expliciet verbieden dat bijzondere persoonsgegevens worden betrokken bij de kredietwaardigheidsbeoordeling.
Overigens erkent de wetgever wel dat bijzondere persoonsgegevens als ‘bijvangst’ kunnen opduiken, bijvoorbeeld op rekeningafschriften. Daarom creëert het tweede lid van artikel 4:34a Wft een wettelijke grondslag voor verwerking van bijzondere persoonsgegevens, maar uitsluitend om die gegevens te verwijderen (weg te lakken) uit de informatie die uiteindelijk voor de kredietwaardigheidsbeoordeling wordt gebruikt. De verwerking moet afgescheiden plaatsvinden van het beoordelingsproces zelf, bijvoorbeeld via een aparte afdeling of een derde partij (uitbesteding). In dat laatste geval blijft de kredietaanbieder zelf steeds verantwoordelijk.[16]
Verbod op krediet aan minderjarigen
Een nationaal gekozen maatregel die verder gaat dan de Europese richtlijn en belangrijk is voor de praktijk, houdt in dat kredietovereenkomsten in de vorm van uitstel van betaling, waaronder ‘koop nu, betaal later’ en kaarten met uitgestelde debitering[17], volledig verboden zijn voor minderjarigen.[18] Dit verbod geldt absoluut: zelfs met toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger is dit type krediet voor minderjarigen niet toegestaan.
Voor overige kredietvormen geldt dat een minderjarige alleen krediet kan aangaan met duidelijke en ondubbelzinnige toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger. Aanbieders zijn verplicht de leeftijd van de consument te verifiëren via een betrouwbare bron.[19]
Proportioneel informatieregime voor bepaalde kredieten
De CCD II-richtlijn biedt lidstaten de mogelijkheid om voor bepaalde kortlopende of goedkope kredieten een lichter precontractueel informatieregime te laten gelden. Nederland maakt van deze optie gebruik. Voor de praktijk betekent dit dat bij drie soorten kredietovereenkomsten een aantal precontractuele verplichtingen niet hoeft te worden nagekomen. Het gaat om:
- kredietovereenkomsten waarbij krediet zonder rente of andere kosten wordt verleend;
- kredietovereenkomsten waarbij krediet binnen drie maanden moet worden afgelost en slechts onbetekenende kosten verschuldigd zijn;
- kredietovereenkomsten voor een totaalbedrag van minder dan €200.[20]
In de praktijk betekent dit dat aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering en ‘koop nu, betaal later‘-diensten de consument bijvoorbeeld niet hoeven te informeren wanneer een prijs tot stand is gekomen op basis van geautomatiseerde gegevensverwerking, en niet hoeven te verwijzen naar mogelijkheden voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting.
Nieuwe productinterventiebevoegdheid van de AFM
De AFM krijgt een nieuwe productinterventiebevoegdheid waarmee zij een verbod of beperking kan opleggen voor bepaalde kredieten of marktpraktijken als deze een significante reden tot bezorgdheid over consumentenbescherming vormen én andere handhavingsinstrumenten onvoldoende zijn.[21] Dit instrument is bedoeld voor uitzonderlijke gevallen, maar geeft de AFM een krachtig middel bij nieuwe, schadelijke kredietpraktijken.
Consumentenbescherming: nieuwe verplichtingen tijdens en na de overeenkomst
Met de implementatie van CCD II introduceert titel 2A van Boek 7 BW ook een reeks nieuwe beschermingsbepalingen voor consumenten met directe gevolgen voor aanbieders:
Geen ongevraagde kredietverlening
Een kredietovereenkomst komt alleen tot stand op uitdrukkelijk verzoek van de consument en na ondubbelzinnige instemming door de consument. Stilzwijgen of vooraf aangekruiste opties volstaan niet.[1] Een kredietaanbieder moet beschikken over adequate processen om dit na te leven.[2]
[1] Artikel 7:58a BW.
[2] Artikel 4:34c Wft.
Kosteloze informatieverstrekking
Verbod op beëindiging wegens onjuiste kredietwaardigheidsbeoordeling
Doorverwijzing naar schuldadviesdiensten
Als een consument in verzuim is, of een kredietgever op basis van een mededeling van de consument vermoedt dat de consument moeilijkheden ondervindt bij het nakomen van de uit de kredietovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, verwijst de kredietgever de consument door naar schuldadviesdiensten.[1] Ook ingeval van regelmatige overschrijding biedt de kredietgever de consument, indien beschikbaar, adviesdiensten aan en verwijst hij de consument kosteloos door naar schuldadviesdiensten.[2] Overigens moeten kredietaanbieders vanuit toezichtrechtelijk perspectief processen en beleid hebben voor vroegtijdige opsporing van consumenten in financiële moeilijkheden.[3]
[1] Artikel 7:68a BW.
[2] Artikel 7:70 lid 3 BW.
[3] Artikel 4:35b Wft.
Verlengd herroepingsrecht
De herroepingstermijn van 14 dagen wordt verlengd tot 12 maanden en 14 dagen als de kredietaanbieder de consument niet volledig heeft geïnformeerd over de contractuele voorwaarden[1].[2] Ontbreekt informatie over het herroepingsrecht zelf, dan geldt helemaal geen termijn.
[1] In de zin van artikel 7:61 BW.
[2] Artikel 7:66 lid 2 BW.
Hoe zit het met de reclameregels?
In artikel 7:59 BW worden de reclameregels aangescherpt. Reclame mag geen valse verwachtingen scheppen over de beschikbaarheid of kosten van krediet.
Actiepunten voor kredietaanbieders en -bemiddelaars: wat kunt u nu al doen?
Het wetsvoorstel gebaseerd op de Europese richtlijn, is ingediend bij de Tweede Kamer. De parlementaire behandeling van de wet moet echter nog plaatsvinden. Daarnaast is er momenteel een Implementatiebesluit in voorbereiding, dat wijzigingen aanbrengt in het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit Kredietvergoeding en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector, en dat gelijktijdig met de nieuwe wet in werking treedt. Dit besluit bevat onder meer de gedetailleerde regels over de kredietwaardigheidsbeoordeling, de nieuwe reclameverboden en de kostenmaximering.
Hoewel de tekst van de wet- en regelgeving nog niet definitief is, kunt u nu al met een aantal actiepunten aan de slag, omdat de hoofdlijnen voldoende duidelijk zijn én de regels uiterlijk eind november 2026 in werking treden:
Beoordeel of uw activiteiten onder het toepassingsbereik vallen en zo ja, bepaal of u vergunning- of registratieplichtig wordt
Dit is het meest urgente actiepunt, want een vergunningaanvraag bij de AFM vergt tijd. Aanbieders van ‘koop nu, betaal later’-diensten, kaarten met uitgestelde debitering en huur- of leaseovereenkomsten met een optie tot koop moeten nagaan of zij onder de vergunningplicht van artikel 2:60 Wft komen te vallen. Grote bemiddelaars in kortlopende ‘koop nu, betaal later’-kredieten moeten nagaan of zij onder de registratieplicht van artikel 2:81 Wft vallen.
1. Begin met het inrichten van de kredietwaardigheidsbeoordeling
De gedetailleerde uitwerking staat in het Implementatiebesluit, maar de hoofdlijnen zijn helder genoeg om nu al te beginnen met het aanpassen van processen en systemen.
2. Richt processen in voor leeftijdsverificatie
Het verbod op krediet in de vorm van uitstel van betaling aan minderjarigen staat vast in de ingediende wet. Aanbieders moeten over adequate processen beschikken om de leeftijd van de consument te verifiëren via een betrouwbare bron. Dit vergt aanpassing van onboarding-processen en systemen.
3. Bereid de organisatie voor op de nieuwe consumentenbeschermingsverplichtingen
De verplichtingen rondom vroegsignalering, doorverwijzing naar schuldadviesdiensten, het verbod op beëindiging wegens onjuiste kredietwaardigheidsbeoordeling en de vereiste processen voor uitdrukkelijke instemming staan vast in de ingediende wet. Begin met het opstellen of aanpassen van beleid en processen op deze punten.
Heeft u vragen over wat deze wijzigingen concreet betekenen voor uw vergunning, uw productaanbod of uw processen? Neem dan gerust contact op.
[1] Richtlijn (EU) 2023/2225 van het Europees Parlement en de Raad, 18 oktober 2023 inzake
kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2008/48/EG.
[2] De implementatiewet is op 2 april jl., na advies door de Raad van State, ingediend bij de Tweede Kamer. De titel luidt: Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet handhaving consumentenbescherming en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ter implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2225 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten (Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet) (KetenID WGK026364).
[3] Overheid.nl | Consultatie Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet
[4] Tot nu toe was dat alleen in die gevallen aan de orde waarin
[5] MvT bij de implementatiewet CCD II, p. 8.
[6] Hoewel het op basis van CCD II mogelijk was geweest om kaarten met uitgestelde debitering buiten het toepassingsbereik te laten komen, heeft de Nederlandse wetgever daar niet voor gekozen. Volgens de wetgever gelden voor deze creditcards dezelfde risico’s als bij andere vormen van uitstel van betaling. Een uitzondering voor dit kredietproduct zou leiden tot onvoldoende en ongelijke consumentenbescherming en daarmee tevens een ongelijk speelveld creëren ten aanzien van vergelijkbare kortlopende kredietproducten, aldus de wetgever.
[7] Artikel 1:20 lid 4 Wft.
[8] Kamerstukken II, = 2025–2026, 36 924, nr. 3, p. 63.
[9] Artikel 1:20 lid 5 Wft i.c.m. artikel 7:58 lid 2 onder d BW.
[10] Artikel 1:20 lid 5 Wft i.c.m. artikel 7:58 lid 2 onder e BW.
[11] De definitie platform zal worden opgenomen in artikel 7:57 lid 1 onder ab BW..
[12] In de zin van Aanbeveling van de Commissie betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422).
[13] MvT bij de implementatiewet CCD II, p. 14.
[14] Opgenomen in artikel 4:34 Wft.
[15] Artikel 4:34a Wft.
[16] Artikel 4:16 Wft.
[17] Kamerstukken II 2025/26, 36924, nr. 4.
[18] Zie het nieuwe artikel 4:34b Wft. In het oorspronkelijke wetsvoorstel werd het verbod gebaseerd op de kredietwaardigheidsbeoordeling van artikel 18 lid 3 CCD II. De Raad van State wees erop dat dit niet de juiste grondslag was: de kredietwaardigheidsbeoordeling ziet op een individuele beoordeling, terwijl het verbod categoraal geldt voor alle minderjarigen. Na het advies is de grondslag aangepast naar artikel 6 van de CCD II, dat onderscheid op grond van leeftijd toestaat mits objectief gerechtvaardigd. De toelichting en transponeringstabel zijn dienovereenkomstig aangepast. Hetzelfde verbod is opgenomen in artikel 7:75 lid 4 BW.
[19] Artikel 4:34b.
[20] Artikel 7:60 lid 6 Wft.
[21] Artikel 1:77q Wft.