In deze rubriek bespreken de (cassatie)advocaten van BarentsKrans oude arresten die nog steeds relevant zijn. Deze keer belichten we het in 1998 gewezen arrest Kinderdagverblijf Snoopy.[1] De Hoge Raad duidt in dit arrest het verschil tussen de spreuken ‘strijd met de redelijkheid en billijkheid’ en ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’.
De casus van het arrest Kinderdagverblijf Snoopy
Duisterhof huurt van de gemeente Apeldoorn (de Gemeente) enkele ruimtes in een schoolgebouw, waarin zij een kinderdagverblijf exploiteert. De huurovereenkomst bevat een beding dat de huurder verbiedt om zonder schriftelijke toestemming van de verhuurder opstallen te plaatsen op het schoolplein dat tot het verhuurde behoort. Nadat haar daarvoor een bouwvergunning was verleend, heeft Duisterhof de Gemeente toestemming gevraagd voor het neerzetten van een verplaatsbare unit – een noodlokaal. Die toestemming is haar geweigerd. Duisterhof heeft het noodlokaal vervolgens wel op het schoolplein geplaatst.
In feitelijke instanties
Duisterhof en de Gemeente stellen beide een vordering in bij de kantonrechter: respectievelijk een verklaring voor recht dat de Gemeente is gehouden Duisterhof toestemming te verlenen voor de plaatsing van het noodlokaal en een rechterlijk bevel tot verwijdering van het noodlokaal. De kantonrechter heeft de zaken gevoegd behandeld en beide vorderingen afgewezen. Duisterhof heeft in de afwijzing berust. De Gemeente is in hoger beroep gegaan en heeft bij de rechtbank Zutphen – destijds de appelinstantie voor kantonzaken – nogmaals bot gevangen. De rechtbank kwam tot afwijzing van de vordering met een redenering langs de band van artikel 6:248 lid 2 BW. Tegen die redenering richt het cassatiemiddel verschillende klachten.
In cassatie
De Hoge Raad acht een deel van die klachten gegrond en vernietigt de uitspraak. De Hoge Raad oordeelt daartoe onder meer dat hoewel de rechtbank terecht artikel 6:248 lid 2 BW tot uitgangspunt heeft genomen, zij die maatstaf vervolgens niet juist toepast.[2] Zo had zij zich niet mogen beperken tot de vraag of de Gemeente een aanwijsbaar redelijk belang heeft bij inroeping van het beding. Nu het een overeenkomst met de overheid betreft, had de rechtbank “ook algemene beginselen van behoorlijk bestuur en publieke belangen” in aanmerking moeten nemen.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat hem niet duidelijk is of de rechtbank de maatstaf van artikel 6:248 lid 2 BW wel echt heeft gehanteerd, mede doordat de rechtbank in haar conclusie spreekt van handelen ‘in strijd met de redelijkheid en billijkheid’. De Hoge Raad benadrukt dat dat een andere maatstaf is dan die wordt uitgedrukt met de meer terughoudende woorden ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’. Ook om die reden kan het vonnis niet in stand blijven.
Relevantie van het arrest: algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Het eerstgenoemde oordeel, dat de bestuursrechtelijke algemene beginselen van goed bestuur mede invulling geven aan de redelijkheid en billijkheid wanneer de overheid contractpartij is, kwam niet als een verrassing.[3] Eerder bepaalde de Hoge Raad al dat de overheid ook bij het uitoefenen van bevoegdheden uit privaatrechtelijke overeenkomsten algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht dient te nemen.[4] Begin jaren ’90 legde hij vervolgens de koppeling met de (gloednieuwe) redelijkheid en billijkheid:
Ook een vordering uit onverschuldigde betaling is niet toewijsbaar, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Gaat het om een vordering van een overheidslichaam, dan moet bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen rekening worden gehouden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.[5]
Relevantie van het arrest: onaanvaardbaarheidsdrempel
Van grotere betekenis is het tweede oordeel, waarmee de Hoge Raad benadrukt dat de maatstaf van artikel 6:248 lid 2 BW wezenlijk verschilt van die van artikel 6:248 lid 1 BW – respectievelijk de beperkende en de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. De aanvullende werking dient ter opvulling van leemtes; de beperkende ter voorkoming van onaanvaardbare toepassingen van rechtsregels. Beide functies zijn toepassingen van dezelfde norm van ongeschreven objectief recht – de eisen van redelijkheid en billijkheid – maar de werking én de toepasselijke maatstaf verschillen wezenlijk.[6]
Bepalend voor het verschil in maatstaf is het onaanvaardbaarheidscriterium van artikel 6:248 lid 2 BW: dat criterium “bedoelt […] de rechter tot de nodige terughoudendheid […] aan te sporen”.[7] Immers kan bij de aanvullende werking van terughoudendheid geen sprake zijn:
Is er een leemte, dan zal de rechter moeten aanvullen en zal men slechts kunnen twisten over de vraag hoe.[8]
Dat ligt heel anders bij de beperkende werking:
Is er daarentegen geen leemte, dan is er veeleer sprake van een toetsing van hetgeen bijv. in de overeenkomst al geregeld is, een regeling die er in beginsel aanspraak op maakt in stand gehouden en nagekomen te worden.[9]
De rechter moet bestaande rechtsregels dus tot uitgangspunt nemen en kan toepassing daarvan slechts uitsluiten indien dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar Daarvoor is onvoldoende dat een beroep op de rechtsregel in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Pas indien dat beroep onaanvaardbaar is, is een inbreuk op de rechtszekerheid gerechtvaardigd.
Hier kan een parallel worden getrokken met Radbruchs toetsingsmaatstaf voor het onderscheid tussen ‘wettelijke wetteloosheid’ (‘statutory lawlessness’) en gebrekkige wetten die, hun gebreken ten spijt, wel geldig zijn:
The positive law, secured by legislation and power, takes precedence even when its content is unjust and fails to benefit the people, unless the conflict between statute and justice reaches such an intolerable degree that the statute, as ‘flawed law’, must yield to justice.[10]
Verschillende functies, verschillende maatstaf
De rechter dient bij toepassing van de respectievelijke functies van de redelijkheid en billijkheid de juiste maatstaf aan te leggen – en niet alleen voorop te stellen, zoals de rechtbank in Kinderdagverblijf Snoopy Ook sinds dat arrest heeft de Hoge Raad nog geregeld herhaald dat ‘strijd met de redelijkheid en billijkheid’ en ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid’ niet inwisselbaar zijn.[11] Voor de beperkende werking volstaat evenmin de maatstaf of gedrag in casu ‘niet redelijk’ is,[12] en of een partij zich ‘in redelijkheid’ op een beding kan beroepen.[13]
Aan de vraag welke maatstaf moet worden aangelegd, gaat uiteraard de vraag vooraf welke functie moet worden toegepast. Ook dat gaat niet altijd goed, zo blijkt uit het arrest DPD/Get moving c.s. In de zaak die leidde tot dit arrest had het hof – kort gezegd – de termijn voor het opzeggen van een duurovereenkomst op basis van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid aangevuld, zonder evenwel de in het contract vastgelegde opzegtermijn met behulp van de beperkende werking buiten toepassing te verklaren.[14] Dat oordeel hield in cassatie geen stand. De Hoge Raad oordeelde dat “een contractuele bepaling niet op grond van alleen de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid [kan] worden ‘uitgeschakeld’”. Pas na ‘uitschakeling’ door de beperkende werking kan men de aldus ontstane leemte invullen met behulp van aanvullende werking. Voor de uitkomst van de procedure na verwijzing kan deze volgorde een wezenlijk verschil betekenen. Omdat de ‘eisen van de redelijkheid en billijkheid’ onvoldoende zijn voor het buiten toepassing stellen van de contractuele bepaling, zal het verwijzingshof een strengere toetsingsmaatstaf moeten aanleggen. Als die onaanvaardbaarheidsdrempel niet wordt gehaald, blijven de contractuele afspraken in stand en komt het hof niet aan de aanvullende werking toe.
Conclusie arrest Kinderdagverblijf Snoopy
Al is Kinderdagverblijf Snoopy geen arrest van statuur en is het in die zin onvergelijkbaar met de grote klassiekers, toch verdient het een plaats in deze reeks. Door te hameren op het belang van de onaanvaardbaarheidsdrempel en de terughoudende toetsing die dat met zich brengt, voorkomt de Hoge Raad dat de beperkende en aanvullende werking meer vermengen dan hun verschillende gevolgen rechtvaardigen. Nu het antwoord op de vraag welke maatstaf van toepassing is, bepalend kan zijn voor de uitkomst van het geschil, benadrukt het arrest indirect ook hoe belangrijk het is de respectievelijke functies te onderscheiden.
[1] HR 9 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2540, NJ 1998, 363 m.nt. A.R. Bloembergen (Kinderdagverblijf Snoopy).
[2] HR 9 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2540, NJ 1998, 363 m.nt. A.R. Bloembergen (Kinderdagverblijf Snoopy), rov. 3.3.
[3] A.R. Bloembergen, annotatie bij HR 9 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2540, NJ 1998, 363 (Kinderdagverblijf Snoopy), nr. 2.
[4] HR 27 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5565, NJ 1987, 727 m.nt. M. Scheltema (Amsterdam/Ikon), rov. 3.3. Vergelijkbaar in HR 15 maart 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0176, NJ 1991, 399 (Korfer/Heerlen), rov. 3.3. Later ook in HR 24 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0582, NJ 1993, 232 m.nt. M. Scheltema (Zeeland/Hoondert), rov. 3.3 en in HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3860, NJ 2005, 23 m.nt. P.C.E. van Wijmen (Heerde/Goudsmit), rov. 3.4, zie ook noot van P.C.E. van Wijmen onder dit arrest, nr. 2.
[5] HR 25 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0382, NJ 1992, 299 m.n.t J.B.M. van der Vranken (Cornelissen/Groningen), rov. 3.2.
[6] Parl. Gesch. Boek 6, p. 67.
[7] Parl. Gesch. Boek 6, p. 68.
[8] Parl. Gesch. Boek 6, p. 68.
[9] Parl. Gesch. Boek 6, p. 68.
[10] G. Radbruch, ‘Statutory Lawlessness and Supra-Statutory Law’, Oxford Journal of Legal Studies 2006, afl. 1, p. 1-11 (‘Gesetzliches Unrecht und übergesetzliches Recht’ 1946, vertaald door B.L Paulson and S.L. Paulson), p. 7.
[11] HR 19 maart 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0895, NJ 1994, 92 m.nt. E.A.A. Luiten (Nederrijn BV/De Leij), rov. 3.8; HR 8 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7381, NJ 2002, 284, rov. 3.4.2; HR 20 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF2166, NJ 2003, 153 m.nt. T. Koopmans (Bollemeijer/TPG Post), rov. 3.4; HR 15 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1664, NJ 2005, 141 (GTI Zwolle/Zurich Versicherungsgesellschaft), rov. 3.5.
[12] HR 25 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4942, NJ 2000, 471 m.nt. A.R. Bloembergen (FNV/Maas), rov. 3.4.
[13] HR 14 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4504, NJ 2002, 59 (Bouwkamp/Van Dijke), rov. 3.4.3.
[14] HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:763 (DPD/Get Moving c.s.), rov. 3.4. In cassatie stonden Philip Fruytier en Joris Jas, cassatieadvocaten bij BarentsKrans, de eiser (DPD) bij.