Zorgvuldigheidsnorm accountant tegenover derde

Meer artikelen over:Cassatie

HR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:744

In deze Caribische zaak verduidelijkt de Hoge Raad dat voor aansprakelijkheid van een accountant bij de uitoefening van zijn beroep ten opzichte van een derde niet dezelfde maatstaf geldt als tussen de accountant en zijn opdrachtgever. Niettemin geldt voor  de accountant ten opzichte van  de derde de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm. Deze wordt mede ingevuld door zijn verantwoordelijkheid om te handelen in het algemeen belang, zoals beschreven in gedrags- en beroepsregels.

Oordeel hof

Accountantskantoor Ernst & Young te Aruba heeft zich volgens het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (hierna: het hof) schuldig gemaakt aan onzorgvuldig persoonsgericht onderzoek naar de Algemeen Directeur van de Stichting FLPD. Met name is volgens het hof geen adequaat wederhoor toegepast terwijl dit voor de evenwichtigheid (de niet-eenzijdigheid) van de rapportage noodzakelijk is. Dat is in strijd met voorschriften neergelegd in de Gedragsrichtlijn inzake Persoonlijke Accountantsonderzoeken van het Koninklijke NIVRA. Deze richtlijn is van toepassing verklaard op de opdrachtovereenkomst tussen het accountantskantoor en de Stichting. De richtlijn is volgens het hof uit hoofde van het concordantiebeginsel ook van toepassing in Aruba. De accountant heeft onvoldoende zorg betracht om te vermijden dat uit het eindrapport een negatiever totaalbeeld kan zijn ontstaan over de onderzochte persoon dan wordt gerechtvaardigd door de feiten, aldus het hof.

Het accountantskantoor stelt cassatieberoep in. De zaak scharniert in cassatie rond twee vragen:

  • of het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd voor het beoordelen van de aansprakelijkheid tegenover een derde van de accountant bij de uitvoering van een niet-wettelijke taak (hier een persoonsgericht onderzoek),
  • of de Gedragsrichtlijn ook op Aruba van toepassing is en of deze geschonden is.

Zorgvuldigheidsnorm in beoordeling hof prevaleert

De Hoge Raad laat de materiële beoordeling van het hof prevaleren. Het hof heeft weliswaar een onjuiste algemene regel vooropgesteld en de Gedragsrichtlijn alsook de wettelijke regeling waarop deze rust gelden formeel niet in Aruba. Echter heeft de beoordeling van het hof “in wezen” plaatsgevonden aan de hand van algemeen aanvaarde zorgvuldigheidsnormen voor het handelen van accountants ten opzichte van derden. Deze normen geven invulling aan hetgeen – ook in Aruba – volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

Kort gezegd heeft het hof dus materieel de zorgvuldigheidsnorm van art. 6:162 BW-A toegepast (welke gelijkluidend is aan art. 6:162 BW), en dat is het juiste beoordelingskader. Aldus wordt over de band van het ongeschreven recht (Aruba kent geen eigen geschreven, corresponderende gedragsnormen voor accountants) het effect bereikt van het concordantiebeginsel (vgl. nader de Conclusie A-G onder 3.36-3.39).

Gedrags- en beroepsregels accountants

Uit de overwegingen van de Hoge Raad blijkt dat in het bijzonder aan de functie van de accountant in het maatschappelijk verkeer betekenis toekomt. In Nederland hebben de met die functie gepaard gaande verantwoordelijkheden invulling gekregen in door de beroepsorganisatie opgestelde gedrags- en beroepsregels. Deze regels geven niet alleen invulling aan de verantwoordelijkheden tegenover de opdrachtgever maar ook aan de verantwoordelijkheid van de accountant om te handelen in het algemeen belang (de A-G werkt dit uit in de Conclusie, onder 3.7-3.10, met verwijzing naar de ‘fundamentele beginselen’ die de accountant in acht moet nemen bij elk onderzoek dat hij verricht). De door een accountant in acht te nemen zorgvuldigheid wordt dan ook mede bepaald door hetgeen die gedrags- en beroepsregels meebrengen. Dat volgens het hof een onvolkomen wijze van toepassen van wederhoor door de accountant onrechtmatig was jegens de onderzochte persoon geeft daarom geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, zo concludeert de Hoge Raad.