Zeldzaam ‘verlies’ Europese Commissie over getrouwheids­kortingen Intel

Meer artikelen over:Mededinging & aanbesteding

Op 6 september 2017 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie het hoger beroep van Intel in de zaak tegen de Europese Commissie (zaak C-413/14 P) gegrond verklaard. Volgens het Hof heeft het Gerecht van de Europese Unie bij het onderzoek in eerste instantie (procedurele) fouten gemaakt door Intels bezwaren tegen de toepassing van het AEC-criterium (het ‘as efficient competitor-criterium’) door de Commissie bij een machtsmisbruikzaak niet in de beoordeling mee te nemen. De zaak is nu door het Hof weer terugverwezen naar het Gerecht voor een herbeoordeling.

Deze zaak begint op 13 mei 2009, als de Commissie Intel een boete van 1,06 miljard euro oplegt. Volgens de Commissie maakte Intel, dat een marktaandeel van ongeveer 70% of meer had op de markt van x86-processoren, misbruik van haar machtspositie op deze markt. Dit misbruik bestond volgens de Commissie uit het aanbieden van kortingen aan de vier voornaamste computerfabrikanten (Dell, Lenovo, HP en NEC), op voorwaarde dat alle of bijna alle x86-processoren bij Intel werden afgenomen. Ook betaalde Intel volgens de Commissie bepaalde bedragen aan Media-Saturn, op de voorwaarde dat ook Media-Saturn uitsluitend computers met x86-processoren van Intel verkocht.

Getrouwheidskortingen en misbruik

Volgens de Commissie beperken zogenoemde getrouwheidskortingen, gegeven door een onderneming met een machtspositie (zoals Intel in deze zaak), reeds naar hun aard de mededinging. Volgens de Commissie is het daarom niet steeds nodig om in dergelijke zaken alle omstandigheden te onderzoeken, zoals de vraag of de mededinging daadwerkelijk werd beperkt. Zo ook niet in deze zaak, aldus de Commissie. Het Gerecht ging mee in deze redenering van de Commissie.

AEC-criterium

Desalniettemin had de Commissie, hoewel dat dus overbodig zou zijn, toch in deze zaak alle omstandigheden van de zaak onderzocht. Daarbij kwam de Commissie onder meer tot de conclusie dat de gehanteerde kortingen als gevolg hadden dat een even efficiënte concurrent (‘as efficient competitor’) niet kon concurreren met Intel, omdat die concurrent prijzen zou moeten hanteren die onhoudbaar zouden zijn geweest in het licht van de door Intel aangeboden kortingen. Het AEC-criterium speelde daarmee, aldus het Hof, een belangrijke rol bij de beoordeling door de Commissie.

Om die reden kon het Gerecht, aldus het Hof, niet zonder meer de verweren en bewijsmiddelen van Intel met betrekking tot de daadwerkelijke toepassing van het AEC-criterium door de Commissie overslaan. In zo’n geval  is Gerecht gehouden om ook  daadwerkelijk onderzoek te doen naar de uitsluitingseffecten en de mededingingsbeperkingen. Dit geldt dus ook in die gevallen waarin een handeling of een overeenkomst reeds naar hun aard ertoe strekken de mededinging te beperken. Nu het Gerecht heeft nagelaten te onderzoeken of de Commissie, gelet op de argumenten van Intel, het AEC-criterium juist heeft toegepast, wijst het Hof de zaak terug naar het Gerecht voor een herbeoordeling.

Uitwerking op toekomstige misbruikzaken mededingingsautoriteiten

Of Intel dus daadwerkelijk iets heeft aan het oordeel van het Hof, of dat dit voor Intel uitmondt in een pyrrusoverwinning, valt dus nog te bezien. Het Gerecht zou immers zomaar kunnen oordelen dat de Commissie het AEC-criterium juist heeft toegepast, in welk geval Intel uiteindelijk niets opschiet met het oordeel van het Hof. Het AEC-criterium zal door dit arrest van het Hof van Justitie echter wel een nadrukkelijkere rol spelen bij misbruikzaken van mededingingsautoriteiten.

Voor vragen over dit arrest of de toepassing van de mededingingsregels kunt u contact opnemen met Joost Fanoy en Gijs van Midden. In het najaar zullen beide advocaten ook dieper ingaan op het arrest in het vaktijdschrift Mededingingsrecht in Praktijk.