Wetsvoorstel herziening van het beslag- en executie­recht: praktisch werkbaar?!

Uit het regeerakkoord 2017 – 2021 vloeit het plan voort te zorgen voor meer eenvoud, flexibiliteit en effectiviteit bij zowel de gerechtelijke geschiloplossing als het beslag- en executierecht. Op 7 juni van dit jaar is de internetconsultatie geopend voor het wetsvoorstel herziening beslag- en executierecht. Op 20 juli 2018 is de consultatie gesloten. De reacties die binnen zijn gekomen, zijn niet onverdeeld positief. Hieronder een overzicht van de voorgestelde wijzigingen en kritiekpunten die ons opvielen.

De herziening is gebaseerd op drie uitgangspunten:

  1. het bestaansminimum van schuldenaren dient geborgd te zijn bij beslag en executie;
  2. beslaglegging en de daaruit voortvloeiende executie moeten zo effectief en efficiënt mogelijk plaatsvinden; en
  3. indien beslaglegging dient ter verhaal mag het niet louter worden ingezet als pressiemiddel.

Een beslagvrij bedrag

Om het onder 1 genoemde uitgangspunt te bereiken, wordt voorgesteld een beslagvrij bedrag te hanteren bij beslag op een bankrekening van een natuurlijk persoon. Dit bedrag blijft buiten het beslag en staat ter beschikking van de schuldenaar/beslagene. Nu geldt enkel een beslagvrije voet wanneer beslag wordt gelegd op (kort gezegd) loon- en uitkeringsbetalingen. Een deel van het loon blijft dan vrij van beslag. In de praktijk wordt daarom nog weleens beslag gelegd op de bankrekening nét nadat het loon op die bankrekening is gestort. Gevolg daarvan is dat het op dat moment bestaande saldo (waaronder dan het volledige loon van die maand), wordt geblokkeerd. De schuldenaar heeft dan mogelijk alsnog geen leefgeld om in zijn primaire levensbehoeften te voorzien, terwijl dat juist een doel is van de beslagvrije voet. Daarnaast beoogt het wetsvoorstel een oplossing te bieden voor het huidige ‘manco’ dat zzp’ers in de praktijk nu geen bescherming genieten van de beslagvrije voet, omdat zij in principe geen loon- en/of uitkeringsbetalingen ontvangen waarvoor een beslagvrije voet geldt.

Het voorstel om een beslagvrij bedrag bij beslag op bankrekeningen te hanteren, kan niet op gejuich van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) rekenen. In haar reactie maakt zij – vrij overtuigend – duidelijk dat het hanteren van een beslagvrij bedrag praktisch bezien niet werkbaar is voor banken. Dat hangt samen met het feit dat over de bankrekening in de regel het betalingsverkeer van de beslagene loopt. Er vinden doorlopend bij- en afschrijvingen plaats. Dat maakt het ingewikkeld (zo niet onmogelijk) om het beslagvrije bedrag geïsoleerd te bekijken. Daarnaast kan het zo zijn dat gelijktijdig beslag wordt gelegd onder meerdere banken of onder een werkgever en banken. Het wetsvoorstel voorziet niet in een bepaling die voorkomt dat meerdere keren het beslagvrije bedrag wordt toegepast. Het kan dus voorkomen dat de beslagene over een periode meerdere keren een beslagvrij bedrag houdt. Dat vormt volgens de NVB een ongerechtvaardigde benadeling van de beslaglegger. Die wordt immers in zijn verhaalsmogelijkheden beknot.

Effectieve en efficiënte beslaglegging en executie

Een voorstel (op basis van uitgangspunt 2) om beslag op (kort gezegd) motorrijtuigen gemakkelijker te maken, lijkt geen kritiek op te leveren. Dat lijkt ons terecht. In het wetsvoorstel wordt voorzien in de mogelijkheid om enkel door het opmaken van een proces-verbaal beslag te leggen op motorrijtuigen. Dat geldt voor executoriaal en conservatoir beslag en vormt een voor de praktijk heel relevante wijziging. Nu is het immers zo dat de deurwaarder een motorrijtuig moet zien om daar beslag op te kunnen leggen. Dat leidt er weleens toe dat deurwaarders rondjes rijden rondom het huis van een schuldenaar in de hoop daar de auto van de schuldenaar te ‘spotten’. Dat hoeft straks niet meer: vanachter zijn bureau, na een check van het kentekenregister, kan de deurwaarder beslag leggen (een zogenoemd ‘bureaubeslag’ of ‘administratief beslag’). Dat bespaart tijd en daarmee kosten. Schuldenaren kunnen ook niet meer een motorrijtuig aan verhaal onttrekken door deze te verbergen.

In het proces-verbaal moet de deurwaarder ook een instructie opnemen over het afgeven van het motorrijtuig aan de deurwaarder. Immers: als het motorrijtuig verkocht moet worden, moet deze wel aanwezig zijn bij verkoop. De deurwaarder kan de schuldenaar bijvoorbeeld opdragen het motorrijtuig een dag voor de executieverkoop neer te zetten voor zijn woning of bij het kantoor van de deurwaarder. Wanneer een schuldenaar daaraan niet voldoet, is hij strafbaar op grond van artikel 198 Wetboek van Strafrecht (onttrekken van een goed aan beslag). Daarop staat een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of een geldboete van de vierde categorie (ten hoogste € 20.750,-).

Ook wordt het beslag in het kentekenregister ingeschreven, zodat het kenteken niet kan worden overgeschreven op naam van een derde.

Een tweede voorstel om executie zo effectief en efficiënt mogelijk plaats te laten vinden (uitgangspunt 2), houdt in dat het mogelijk wordt gemaakt om de executoriale verkoop van roerende zaken via internet te laten plaatsvinden. Daarbij wordt aangesloten bij de bestaande regeling voor verkoop via internet van onroerende zaken. Op die manier wordt een grotere bekendheid aan de verkoop gegeven. De kans op een hogere opbrengst wordt groter, waarmee de schuldenaar en schuldeiser gebaat zijn. Ook de aankondiging van de executieverkoop kan via internet plaatsvinden (en niet meer door middel van het antieke “aanslaan der biljetten”). Een ontwikkeling die tegemoetkomt aan de praktijk. Ook wordt het vereiste van aankondiging van de verkoop van het beslagene in een dagblad en door het aanslaan van biljetten vervangen door een aankondiging via een algemeen toegankelijke website.

Beslaglegging geen pressiemiddel

Om aan het derde uitgangspunt tegemoet te komen, is in het wetsvoorstel opgenomen dat beslag en executie achterwege dient te blijven als redelijkerwijs voorzienbaar is dat de kosten de baten overstijgen. Nu de kosten van beslag en executie (bij terechte beslaglegging) voor rekening van de schuldenaar komen, komt een dergelijk beslag of executie erop neer dat de schuld van de schuldenaar alleen maar zal oplopen. Volgens het concept wetsvoorstel dient een dergelijk beslag er niet daadwerkelijk toe om een schuld te verhalen, maar vormt dit enkel een (ongewenst) pressiemiddel.

De adviescommissie burgerlijk procesrecht van de Nederlandse orde van advocaten is bijzonder kritisch op die voorgestelde regel. Het is immers naar huidig recht niet zonder meer ongeoorloofd beslag te leggen als drukmiddel. De huidige jurisprudentie geeft volgens de adviescommissie ook voldoende houvast aan schuldeiser en schuldenaar om echt misbruik te voorkomen. De voorgestelde regeling vormt daarom een ernstige inbreuk op de regel van artikel 3:267 BW die inhoudt dat de schuldeiser zijn vordering kan verhalen op alle goederen van zijn schuldenaar. De adviescommissie verwijst daarbij ook naar een conclusie van advocaat-generaal Huydecooper uit 2011, waaruit volgt dat een schuldeiser die tot executieverkoop overgaat – terwijl bij voorbaat vaststaat dat executie voor hem geen positieve opbrengst kan opleveren – niet zonder meer misbruik van bevoegdheid maakt, wanneer moet worden aangenomen dat de schuldenaar over voldoende middelen beschikt om de vorderingen waarvoor geëxecuteerd wordt te voldoen. Dat uitgangspunt lijkt ook terug te komen in de concept memorie van toelichting bij het wetsvoorstel (p. 19 en 20), maar de toelichting vermeldt daarbij ook:

“Een schuldeiser die niet wil betalen, maar dit wel kan, beschikt over vermogensbestanddelen waarop de schuldeiser zich kan verhalen.”

Daarmee lijkt het wetsvoorstel geen oog te hebben voor de in de praktijk voorkomende situatie van een schuldenaar die niet wil betalen, dit wel kan en zijn voor verhaal vatbare vermogen weet te verbergen voor zijn schuldeiser. In een dergelijk geval moet er ruimte zijn om druk uit te oefenen door beslag te leggen. Het wetsvoorstel lijkt dat echter niet toe te staan in de situatie dat de kosten van de beslaglegging de baten te boven gaan.

“Wetsvoorstel te beperkt”

Meer in het algemeen meent de adviescommissie nog dat het wetsvoorstel (helaas) van te beperkte omvang is. Zij roept de minister dan ook op ook nog andere onderwerpen te behandelen die tegemoetkomen aan de wensen uit de rechtspraktijk. Als voorbeelden noemt de adviescommissie beslaglegging op een aandeel dat de schuldenaar bezit in een gemeenschappelijk eigendom en een bepaling op grond waarvan het mogelijk zou zijn dat schuldeiser en schuldenaar een onderhandse afwijkende wijze van executie overeenkomen.

Het is nu afwachten wat de minister met de reacties gaat doen. Wij houden dat met belangstelling in de gaten.