Wat heb ik nou aan mijn fiets hangen? Het kartelverbod en distributie

In een geschil tussen een fietsendealer en een groothandel van Trek kwam een klassiek geval verticale prijsbinding voorbij. De dealer verkocht fietsen tegen een te lage prijs via internet waarna de groothandel het distributiecontract opzegde. De kortgedingrechter van de rechtbank Amsterdam wees op 22 januari 2021 een kortgedingvonnis over de opzegging. Daarin behandelde de rechter de vraag of de opzegging in strijd was met het kartelverbod (artikel 6 Mededingingswet (“Mw”). Wij zullen hierna de uitspraak kort bespreken en recapituleren wat ook alweer toegestane contractuele bepalingen tussen een dealer en een groothandelaar zijn.

Assemblageplicht en kortingsverbod

De dealer en Trek (hierna gezamenlijk ook “Partijen”) hadden al sinds de jaren 90’ een handelsrelatie. De relatie werd beheerst door een overeenkomst – die mede bestond uit Algemene Voorwaarden en het Dealerprogramma 2021. Volgens de Algemene Voorwaarden moest een dealer fietsen in volledig geassembleerde staat fysiek in de winkel overhandigen aan de klant (de zgn. “assemblageplicht”). Dat gold ook als de fiets via internet was aangeboden.

Partijen hadden eerder al discussies en begin 2020 ging het weer mis. Trek stuurde een e-mail aan de dealer met de mededeling dat hij moet stoppen met het verlenen van agressieve kortingen op producten van het huidige modeljaar. Trek noemt dit prijsdumping. De dealer verkocht daarna wederom een ongeassembleerde fiets (uit het huidige modeljaar) tegen een fikse korting, waarna Trek de overeenkomst per direct opzegde.

De dealer stapt vervolgens naar de rechter en vordert nakoming van het dealercontract. Daartoe voert de dealer aan dat de assemblageplicht en het verbieden van kortingen op de adviesprijs in strijd zijn met de Mededingingswet (“Mw”). Trek verweert zich door te stellen dat de opzegging terecht was omdat de dealer met haar dumpprijzen en ongeassembleerde verkoop de voorwaarden schond van het (legitieme) selectieve distributiestelsel van Trek.

Rechter: dealer mag kortingen geven en contract uitdienen

De rechter stelt voorop dat om te oordelen of de overeenkomst en de opzegging strijdig is met de mededingingswetgeving, in de eerste plaats relevant is dat er sprake is van een verticale relatie tussen de dealer en Trek. De rechter beoordeelt de situatie daarom aan de hand van de regels die de Europese Commissie heeft opgesteld voor verticale overeenkomsten: de Groepsvrijstelling (Verordening (EU) 330/2010) en de daarbij behorende Richtsnoeren. Binnen die regels mogen leveranciers en afnemers bepaalde afspraken met elkaar maken als de leverancier een selectief distributiestelsel hanteert. De voorzieningenrechter laat in dit geval in het midden of Trek daadwerkelijk een selectief distributiestelsel heeft omdat de afspraken waar de discussie om draait zogenaamde hardcore beperkingen zijn. Dat zijn afspraken die niet – ook niet in een selectief distributiestelsel – zijn toegestaan.

Verbod op kortingen: artikel 4 onder a) van de Groepsvrijstelling

Ten eerste het kortingsverbod. Artikel 4 onder a van de Groepsvrijstelling bepaalt dat een afspraak tussen een groothandel en retailer niet (in)direct tot doel mag hebben een vaste of minimumwederverkoopprijs te handhaven. Zo’n afspraak is een hardcore beperking. De dealer stelde dat zij door Trek wordt gedwongen om de adviesprijs aan te houden. Volgens de dealer is de adviesprijs dus eigenlijk een vaste prijs. Trek voert aan dat zij juist haar dealers grote vrijheid geeft, maar er is voor haar een grens. Volgens Trek dient een dealer voldoende marge te maken op een fiets zodat de dealer aan consumenten een hoog niveau van service kan bieden voor en na een koop. De rechter oordeelt dat het duidelijk is dat Trek druk uitoefent op dealers om een bepaald prijsniveau te handhaven. Hoewel de rechter het voorstelbaar acht dat Trek zou kunnen rechtvaardigen dat zij haar serviceniveau en merkimago moet handhaven, mag dit echter nooit ertoe leiden dat vaste prijzen worden opgelegd of kortingen worden verboden.

Assemblage- en afleverplicht: artikel 4 onder c) van de Groepsvrijstelling

Ten tweede de assemblageplicht. Artikel 4 onder c van de Groepsvrijstelling verbiedt beperkingen aan actieve en passieve verkoop aan eindklanten door retailers die lid zijn van een selectief distributiestelsel. Van passieve verkoop is sprake als de klant het initiatief neemt voor de verkoop zonder dat de verkoper actief die klant heeft benaderd. Internetverkoop is bijna altijd passieve verkoop. De dealer stelt dat online verkoop (en dus passieve verkoop) wordt beperkt door de assemblageverplichting en de plicht fietsen persoonlijk te overhandigen. Volgens Trek was online verkoop wel degelijk mogelijk, zolang aan de assemblage- en afleverplicht werd voldaan. De rechter volgt Trek. Het betreft immers dure fietsen van lichtgewicht en teer materiaal met toepassingen van de nieuwste technologie die vraagt om een nauwkeurige montage en afstelling. De voorzieningenrechter oordeelt dat de verplichtingen worden gerechtvaardigd door het segment fietsen dat Trek levert en het luxe imago dat Trek beoogt te handhaven.

Redelijkheid en billijkheid

Doordat de dealer de assemblageplicht had geschonden, had Trek op grond van de Overeenkomst het recht deze op te zeggen. De rechter oordeelt echter dat Partijen al ca. 30 jaar een handelsrelatie hadden en dat de dealer in die tijd slechts tweemaal de assemblageplicht had geschonden. De dealer heeft er bovendien belang bij dat zij kan voldoen aan de lopende verplichtingen jegens haar klanten. De eisen van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW) brengen daarom met zich mee dat de Overeenkomst niet op deze korte termijn kan worden geëindigd. De looptijd van de Overeenkomst (op dat moment nog ruim een half jaar) moet daarom – behoudens nieuwe overtredingen – worden volbracht.

Hoe houd je je distributiestelsel gezond?

Deze zaak betreft een fiets-tuin-en-keuken-geval van wat er vaak mis gaat bij distributie. Een producent vindt het redelijk dat hij bepaalde eisen stelt en wil zijn distributiestelsel gezond houden. Een distributeur die weinig service biedt profiteert namelijk van de andere distributeurs die dit wel doen: dat is op de lange termijn niet houdbaar. De oplossing die Trek in dit geval koos door vaste prijzen af te dwingen, acht de rechter terecht mededingingsrechtelijk niet toelaatbaar. Het is echter wel  goed denkbaar dat het stelsel van Trek aan de criteria – die wij hieronder hebben opgenomen – zou voldoen, waardoor zij op andere manieren haar distributiestelsel gezond had kunnen houden.

Indien de volgende criteria worden aangehouden kan in beginsel iedere (aspirant) verkoper deelnemen aan het distributiestelsel. Hierdoor wordt de concurrentie op distributieniveau niet beperkt, en valt het stelsel daarom buiten het kartelverbod (artikel 6 lid 1 Mw). De criteria zijn als volgt:

  • De aard van het betrokken product moet zich lenen voor een selectief distributiestelsel;
  • De criteria voor deelname moeten objectief en kwalitatief van aard zijn en voor eenieder duidelijk;
  • De criteria moeten non-discriminatoir zijn, oftewel ze worden op alle betrokkenen op eenzelfde manier toegepast;
  • De vereisten moeten proportioneel zijn, oftewel in verhouding tot het doel en niet verder gaan dan noodzakelijk.

Binnen een selectief distributiestelsel mogen ook beperkingen aan online verkoop worden opgelegd. Gedacht kan worden aan de plicht om naast online verkoop ook een fysieke “brick and mortar” winkel te hebben of de plicht om bepaalde after sales services te bieden. In een uitspraak uit december 2017 (Coty) oordeelde het Europese Hof van Justitie dat een verbod op verkoop op online marktplaatsen (lees platforms als bol.com of Amazon) ook gerechtvaardigd kan zijn om een luxe imago van een product te waarborgen. Het is daarom niet zo vreemd dat de voorzieningenrechter de assemblageplicht van Trek op voorhand legitiem achtte.

Voor wat betreft de beperkingen die Trek aan het prijsbeleid van dealers oplegde staat buiten kijf dat dit als verticale prijsbinding en dus hardcore beperking heeft te gelden. Net als het verdelen van klanten of het aanwijzen van klantgebieden, mag een dergelijke plicht eigenlijk nooit worden opgenomen in een distributiestelsel. Zo’n verboden afspraak kan niet worden afgedwongen (en kan dus ook niet worden gebruikt om een opzegging te rechtvaardigen). Bovendien zijn mededingingsautoriteiten de laatste jaren steeds alerter op verboden afspraken in distributiecontracten en leggen daarvoor regelmatig (hoge) boetes op. Kortom: let goed op met de afspraken die in een distributiestelsel worden gemaakt.

 

Meer artikelen over:EU & MededingingKartelschade