Wanneer mag de Staat een EU-onderdaan uitleveren?

Meer artikelen over:Cassatie

ECLI:NL:HR:2019:1690

Wat speelde er?

De Bulgaarse heer X woont sinds februari 2014 in Nederland met zijn vrouw en kinderen. In 2013 is hij in Turkije onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf. In 2016 hebben de Turkse autoriteiten de Nederlandse Staat (de “Staat”) verzocht om de heer X aan Turkije uit te leveren om daar zijn straf uit te zitten. In 2017 heeft de Staat de Bulgaarse autoriteiten van het Turkse uitleveringsverzoek op de hoogte gebracht. De Bulgaarse autoriteiten gaven in reactie daarop aan dat zij de heer X niet naar Bulgarije zouden halen met een Europees Arrestatiebevel, om de tenuitvoerlegging van zijn straf over te nemen. De Staat was daarom voornemens de heer X aan Turkije uit te leveren.

De heer X heeft gevorderd dat de rechter de Staat verbiedt om hem aan Turkije uit te leveren. Volgens de heer X zou hij in Turkije zijn vrouw en kinderen gedurende vele jaren niet kunnen zien. Hierdoor zou zijn door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (het “EVRM”) beschermde recht op een gezinsleven worden geschonden. Bovendien zou de Staat, door hem uit te leveren, handelen in strijd met het verbod om andere EU-burgers anders de behandelen dan eigen onderdanen (artikel 18 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (het “VWEU”)), en het door artikel 21 VWEU beschermde recht op vrij verkeer van personen binnen de EU.

Wat oordeelden de rechtbank en het hof?

De Rechtbank Den Haag heeft de vordering afgewezen. Het Hof Den Haag vernietigde de uitspraak van de rechtbank. Het Hof oordeelde dat voldoende aannemelijk was dat een inbreuk op het gezinsleven van de heer  X dreigde. Bovendien waren er alternatieven voor uitlevering aan Turkije, zoals uitlevering aan Bulgarije of detentie in Nederland. In een tweetal arresten over uitlevering van verdachten ter berechting, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het “HvJEU”) geoordeeld dat lidstaten van de EU alle mechanismen moeten aanwenden om EU-onderdanen te beschermen tegen inbreuken op het recht op vrij verkeer van personen binnen de EU, en tegelijkertijd straffeloosheid moeten tegengaan.¹ EU-lidstaten hebben volgens het HvJEU een verplichting om elkaar te informeren over EU-onderdanen om wier uitlevering door derde landen wordt verzocht. Het Hof Den Haag oordeelde dat de Staat in dit geval niet aan die informatieverplichting had voldaan, omdat hij geen specifieke informatie over het (gezins)leven van de heer X aan de Bulgaarse autoriteiten had gegeven.

De Staat ging in cassatie, en klaagde dat het hof de informatieverplichting te ver had opgerekt. De heer X stelde incidenteel cassatieberoep in, en klaagde dat de Staat niet alleen aan de informatieverplichting moest voldoen, maar actief moest bevorderen dat de heer X zijn straf zou kunnen uitzitten in de EU-lidstaat waarmee hij een band heeft.

Hoge Raad: de Staat mag EU-onderdanen niet zomaar uitleveren

De Hoge Raad vernietigde het oordeel van het Hof Den Haag. Daartoe was van belang dat het HvJEU inmiddels een nieuw arrest had gewezen,² waarin werd geoordeeld dat EU-lidstaten wat betreft uitlevering van veroordeelde personen geen onderscheid mogen maken tussen eigen onderdanen en andere EU-burgers die permanent op het grondgebied van de betreffende lidstaat verblijven. Als een EU-lidstaat zijn eigen onderdanen niet uitlevert, mogen permanent op zijn grondgebied wonende EU-onderdanen ook niet zomaar worden uitgeleverd. Indien een EU-lidstaat overweegt een EU-burger uit te leveren, moet hij daarbij nagaan of die uitlevering geen afbreuk doet aan de rechten uit het Handvest van grondrechten van de Europese Unie.

De Hoge Raad leest dit arrest van de HvJEU zo, dat er géén informatieverplichting geldt ingeval het gaat om uitlevering van een reeds veroordeelde persoon, anders dan het hof had geoordeeld op basis van de eerdere uitspraken van het HvJEU over uitlevering van verdachten ter berechting. Daarom slaagt de klacht van de Staat.

De Hoge Raad oordeelt ook dat indien om uitlevering van een veroordeelde EU-burger wordt verzocht, de Staat moet onderzoeken of deze EU-burger permanent in Nederland woont. Indien dat het geval is, moet de Staat hem op dezelfde manier behandelen als zijn eigen onderdanen. Nederland levert zijn eigen onderdanen niet uit, dus zou hij de heer X ook niet mogen uitleveren indien de heer X permanent in Nederland woont. Het hof had niet onderzocht of de heer X permanent in Nederland woont, en zo ja, of dat meebrengt dat zijn straf in Nederland kan en moet worden tenuitvoergelegd. Daarom slaagt ook de klacht van de heer X. De Hoge Raad verwijst de zaak door naar een ander hof om opnieuw te oordelen, met inachtneming van deze nieuwe criteria.

BarentsKrans advocaten Guido den Dekker en Hugo Kolstee stonden de heer X bij in cassatie.


¹ HvJEU 6 september 2016, ECLI:EU:C:2016:630 (Petruhhin) en HvJEU 10 april 2018, ECLI:EU:C:2018:222 (Pisciotti).

² HvJEU 13 november 2018, ECLI:EU:C:2018:898 (Raugevicius).