Voorkom onbetaald meerwerk: dien het tijdig in

Joris Bax
Joris Bax Advocaat

Het niet tijdig indienen van een meerwerkvordering bij de opdrachtgever heeft tot gevolg dat het meerwerk niet betaald hoeft te worden. Mede daarom wees de Raad van Arbitrage voor de Bouw (‘RvA’) een meerwerkvordering voor het tijdelijk in depot houden van grond af (geschilnummer 36.018).

Achtergrond van het werk

Op 16 juni 2015 wordt aan aanneemster een opdracht gegund voor het ontgraven en verwerken van grond uit de Hunze. De UAV 2012 zijn in het bestek van toepassing verklaard. In het bestek is bepaald dat circa 13.200 m3 grond tijdelijk in depot moet worden gehouden. Tevens is in het bestek bepaald dat tijdens de uitvoering van de werkzaamheden de afvoer van water via de Hunze moet worden gegarandeerd. De manier waarop aan deze eis invulling wordt gegeven, is ter keuze aan de aannemer.

In het startoverleg van 16 juni 2015 wordt de aanneemster verzocht in een kwaliteitsplan aan te tonen hoe de afvoer van de Hunze tijdens de werkzaamheden wordt gewaarborgd. Bij e-mail van 21 juli 2015 heeft de opdrachtgever medegedeeld dat de afvoercapaciteit van de Hunze tijdens de werkzaamheden niet mag afnemen. In het kwaliteitsplan schrijft de aanneemster dat 58.000 m3 grond in tijdelijk depot wordt gehouden. Dit kwaliteitsplan wordt door de opdrachtgever goedgekeurd.

Het werk is op 19 november 2015 opgeleverd. Bij de oplevering kondigde de aanneemster aan een meerwerkvordering in te zullen dienen, omdat zij meer grond in depot heeft moeten houden dan op grond van het bestek bekend was. Op 18 december 2018 wordt de meerwerkvordering ter hoogte van € 168.000 ingediend. De opdrachtgever is van mening het meerwerk niet te hoeven betalen.

Groter depot is bestekwijziging

De aanneemster stelt dat het grotere depot een bestekwijziging is. Het grotere depot is volgens de aanneemster een gevolg van de aanvullende eis uit de e-mail van 21 juli 2015 van de opdrachtgever dat de afvoer van de Hunze tijdens de werkzaamheden niet mag verminderen. Volgens de aanneemster moest daarom een groter tijdelijk depot worden aangehouden dan waarmee op basis van het bestek rekening moest worden gehouden (58.000 m3 in plaats van 13.200 m3).

Volgens de opdrachtgever is er geen sprake van een bestekwijziging. Zij heeft geen aanvullende eisen gesteld. Bovendien heeft de aanneemster het meerwerk veel te laat ingediend.

Geen bestekwijziging

De RvA volgt de betwisting door de opdrachtgever. Geoordeeld wordt dat de e-mail van 21 juli 2015 een verduidelijking is van de eis in het bestek dat de afvoer van water tijdens de werkzaamheden moet zijn gegarandeerd. Daarom is er geen sprake van een bestekwijziging (par. 36 UAV 2012).

Het in depot houden van grond om aan die eis te voldoen, is bovendien een keuze van de aanneemster. In beginsel blijven de kosten daarvoor dus voor rekening van de aanneemster. Voor een uitzondering op dat uitgangspunt is geen sprake, nu niet is gebleken dat een gronddepot de enige manier is om aan de eis te voldoen.

Vordering te laat ingediend

Ten overvloede oordeelt de RvA dat de meerwerkvordering ook te laat is ingediend. In het kwaliteitsplan dat de aanneemster voorafgaande aan de werkzaamheden heeft ingediend, was het grotere depot al gemeld. De aanneemster meldde in het kwaliteitsplan echter niet dat zij daarom meende recht te hebben op verrekening van een bestekwijziging. Dat heeft de aanneemster pas bij de oplevering kenbaar gemaakt. Een maand na de oplevering werd de hoogte van de vordering pas duidelijk. De aanneemster heeft volgens de RvA daarom niet voldaan aan haar verplichting de opdrachtgever tijdig te wijzen op de noodzaak van een prijsverhoging voortvloeiende uit de beweerdelijke bestekwijziging (par. 36, lid 1a UAV 2012).

De meerwerkvordering wordt dus afgewezen.

Tijdigheid van meerwerk

Voor alle partijen bij een aannemingsovereenkomst is het van belang dat een meerwerkvordering tijdig bekend wordt gemaakt. Voor de opdrachtgever, omdat die in staat moet worden gesteld om tijdig een afweging te maken of het doen uitvoeren van het meerwerk wenselijk is tegen de daarvoor geoffreerde prijs. In het becommentarieerde vonnis had de aanneemster al bij de start van het werk voldoende gelegenheid en reden om te waarschuwen voor de prijsverhoging. Het grotere tijdelijk depot was immers genoemd in het kwaliteitsplan. Nu daarin niet was vermeld dat voor het grotere depot meerwerk moest worden verrekend, hoefde de opdrachtgever daar terecht ook geen rekening mee te houden. Daardoor blijft de aanneemster met lege handen achter.

Dit vonnis onderstreept bovendien het belang voor aannemers om de opdrachtgever tijdig in kennis te stellen over mogelijk meerwerk. In ieder geval op het moment dat de aannemer weet of kan weten dat hij met extra kosten wordt geconfronteerd, moet de opdrachtgever worden gewaarschuwd. Ook als er nog geen definitieve prijs aan gehangen kan worden, is het zinvol om opdrachtgever daarover toch in kennis te stellen. Zo nodig met de uitdrukkelijke mededeling dat de definitieve prijs op een later moment bekend wordt gemaakt. De opdrachtgever kan dan niet bij bekendwording van de prijs stellen dat hij daarmee onbekend was. De waarschuwing kan ook volgen in de bouwvergadering. In het algemeen valt niet een moment te noemen waarop de waarschuwing moet worden gegeven. Dit is afhankelijk van alle omstandigheden en met name het moment waarop de aannemer bekend is met de hogere kosten.

Niet altijd waarschuwen

De waarschuwingsplicht voor prijsverhogingen geldt overigens uitsluitend voor wijzigingen/ veranderingen van het werk (art. 7:755 BW; par. 36, lid 1a UAV 2012). Aannemers hoeven niet voor alle gevallen van meerwerk te waarschuwen. Voor afwijkingen van bijvoorbeeld verrekenbare hoeveelheden (par. 39 UAV 2012) wordt in de literatuur aangenomen dat in beginsel geen sprake is van een wijziging van het werk. Daarvoor zou dan ook geen waarschuwingsplicht gelden. Dat geldt ook voor overschrijdingen van stelposten (par. 37 UAV 2012). De opdrachtgever beslist immers over de invulling van de stelpost en mag dus bekend worden geacht met eventuele overschrijdingen.