Voor de bank is een bevoegdheid soms toch een verplichting

Meer artikelen over:Financial litigation
William Schonewille
William Schonewille Advocaat / partner

Op 15 juli 2020 besliste de Geschillencommissie van het Kifid dat ABN AMRO Bank in een zaak tussen een consument die € 50.000 had geleend een deel van de betaalde rente moet terugbetalen. Eerder hadden Geschillencommissie en Commissie van Beroep zich al uitgelaten over een andere aanbieder, maar ABN AMRO Bank meende dat die uitspraken niet voor haar golden. Dat blijkt een misrekening.

In deze zaak vond de consument de betaalde rente te hoog omdat deze in de periode van 2010 tot 2018 niet was verlaagd, terwijl de marktrente wel (flink) daalde. De werkelijkheid lag overigens genuanceerder: de kredietvergoeding was volgens opgave van de bank variabel en fluctueerde gedurende de looptijd tussen 8,5% en 9,6%. De Geschillencommissie oordeelt dat Consument mocht verwachten dat de rente op hun doorlopend krediet in de pas zou blijven lopen met de marktrente op doorlopende kredieten voor consumenten. Dacht de bank de bevoegdheid te hebben om naar eigen inzicht de rente te verhogen of verlagen, dat blijkt ten onrechte: als de rente daalt, heeft de bank de plicht gebruik te maken van haar wijzigingsbevoegdheid en als de rente stijgt, is de bevoegdheid van bank de rente te verhogen beperkt.

Prijs bepaald bij aanvang overeenkomst

Natuurlijk mag een kredietaanbieder afwijken van de het gemiddelde van de rentes die kredietaanbieders op hanteren voor doorlopende kredieten aan consumenten, maar dat geldt maar op één moment: bij het aangaan van een doorlopend krediet. In de dan aangeboden kredietvergoeding kan de kredietaanbieder alle factoren meewegen die volgens hem de prijs van het krediet in het individuele geval moeten bepalen, waaronder commerciële motieven en het risico dat volgens de inschatting van de kredietaanbieder aan de individuele consument is verbonden. De prijs wordt dus bij de aanvang van de kredietovereenkomst bepaald. Dat is ook de prijs die de consument aanvaardt die met het sluiten van de kredietovereenkomst. Daarmee is voor de hele looptijd de opslag ‘vastgeklikt’:  het verschil tussen de individuele kredietvergoeding en het gemiddelde van de rente op de relevante kredietmarkt mag niet ten koste van de consument afwijken.

Meebewegen met de marktrente

De kredietaanbieder moet de individuele kredietvergoeding tijdens de looptijd laten meebewegen met de marktrente. Dat hoeft niet door deze dagelijks aan te passen aan een dalende marktrente. Een periodieke aanpassing met redelijke intervallen volstaat: een aanpassing per kwartaal is in het algemeen redelijk  Stijgt de marktrente, dan mag de Bank in het voordeel van Consument geheel of gedeeltelijk afzien van het verhogen van de kredietvergoeding.

Het wachten is nu op de eerste zaken over de in rekening gebrachte rekening-courant rentes.

Dit artikel verscheen ook op Mr. Online