Verzuim, hoe zat het ook al weer?

Meer artikelen over:Corporate litigation
Inge Wiltink
Inge Wiltink Advocaat

Een ingebrekestelling is een schriftelijke aanmaning waarin de schuldenaar nog een redelijke termijn voor nakoming krijgt, zo staat in artikel 6:82 lid 1 Burgerlijk Wetboek vermeld. Als deze redelijke termijn verloopt, dan is de schuldenaar in verzuim. Verzuim is in veel gevallen vereist voordat partijen een overeenkomst kunnen ontbinden of schadevergoeding kunnen vorderen. Verzuim kan echter ook intreden zonder een ingebrekestelling, zo volgt uit artikel 6:83 Burgerlijk Wetboek. Dit kan bijvoorbeeld door het verstrijken van een ‘fatale termijn’. Het Hof Arnhem-Leeuwarden stond in een arrest stil bij de vraag wanneer een termijn een fatale termijn is (ECLI:NL:GHARL:2018:6114). In het daaropvolgende arrest in cassatie stond de Hoge Raad vervolgens stil bij de verhouding tussen verzuim en tekortkoming (ECLI:NL:HR:2020:141). De arresten vormen een goede aanleiding om in te gaan op het thema ‘verzuim’. Voor het oog lijkt dit soms een eenvoudig thema, maar de arresten laten zien dat in de praktijk gemakkelijk discussie kan ontstaan.

Feiten

De casus die aan beide arresten ten grondslag ligt is als volgt. Het ging om een koopovereenkomst van een pand. Verkoper en koper bereikten in juli 2011 mondeling overeenstemming over de aankoopprijs. Daarnaast maakten partijen de afspraak dat de koper direct in het pand kan, tegen een vergoeding van € 2.500,- per maand. Tot slot spraken partijen af dat de levering uiterlijk december 2011 zou plaatsvinden. Begin december 2011 meldde koper dat het hem niet zou lukken om de financiering voor eind december rond te krijgen. Op 29 december 2011 stuurde de advocaat van de verkoper vervolgens een brief, met daarin de mededeling dat hij de overeenkomst ontbindt. De advocaat stelde namelijk dat uit de uitlatingen van koper volgde, dat hij tekort zou schieten in de nakoming.

Vervolgens stapte de verkoper naar de rechter. Hij vorderde schadevergoeding en een verklaring voor recht dat de overeenkomst is ontbonden. De rechtbank gaf de verkoper gelijk, waarop de koper in hoger beroep ging. Koper stelde dat partijen voor ogen stond dat de levering eind december zou plaatsvinden, maar dat deze tijdsbepaling geen fatale termijn was. Daarin zag het Hof aanleiding om uitgebreider in te gaan op de vraag wanneer sprake is van een fatale termijn.

Tijdsaanduiding of fatale termijn?

Het Hof stelde dat uit artikel 6:83 sub a Burgerlijk Wetboek volgt dat een tussen partijen afgesproken termijn in beginsel een fatale termijn is. De inhoud van de overeenkomst, de aard van de verbintenis en uiteraard de welbekende omstandigheden van het geval kunnen afbreuk doen aan dit uitgangspunt. Volgens het Hof lag het op de weg van de schuldenaar (hier de koper) om aan te tonen dat geen sprake is van een fatale termijn.

Partijen spraken over ‘levering uiterlijk 31 december 2011’. Deze bewoordingen moeten volgens het Hof uitgelegd worden met de Haviltexnorm. Oftewel, de uitleg van de bewoordingen hangt af van de zin die partijen over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (zie NJ 2013, 493).

Het Hof overweegt dat de woorden ‘levering uiterlijk 31 december 2011’ in het algemeen spraakgebruik worden uitgelegd als niet later dan 31 december 2011. Echter, de betekenis van de woorden hangt ook af van de overige omstandigheden van het geval. Zo acht het Hof onder meer relevant dat (i) partijen niet in detail spraken over de wederzijdse rechten en plichten, (ii) dat de overeenkomst vlot tot stand kwam en (iii) dat partijen ervoor kozen om de afspraken ook later niet schriftelijk vast te leggen. Hierdoor kon de koper een meer vrijblijvende opvatting krijgen over de betekenis van de woorden ‘uiterlijk 31 december 2011’. Tot slot (iv) is volgens het Hof van belang dat partijen een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd aangingen. In het geval de termijn een fatale termijn zou zijn dan was het logischer geweest om een huurovereenkomst voor bepaalde tijd te sluiten, namelijk tot 31 december 2011. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat geen sprake is van een fatale termijn en dat ook geen sprake is van verzuim.

Geen verzuim, wel tekortkoming?

Verkoper ging vervolgens in cassatie. Volgens de koper waren de bewoordingen ‘levering uiterlijk 31 december 2011’ misschien geen fatale termijn, maar leverde de afspraak wel een verbintenis op voor de koper. Het verzuim trad dus niet in op grond van artikel 6:83 sub a Burgerlijk Wetboek, de bepaling over de fatale termijn, maar wel op grond van artikel 6:83 sub c Burgerlijk Wetboek. Daarin staat dat het verzuim intreedt als de schuldenaar een mededeling doet waaruit blijkt dat hij tekort zal schieten. Het verzuim trad volgens de verkoper in toen de koper begin december duidelijk maakte dat hij de financiering niet voor eind december rond zou krijgen.

De Hoge Raad ging hier niet in mee. De Hoge Raad overwoog dat volgens vaste rechtspraak een ingebrekestelling niet als doel heeft om het verzuim vast te stellen. De ingebrekestelling geeft de schuldenaar juist nog een laatste termijn om goed na te komen, zonder dat sprake is van een tekortkoming. Van een tekortkoming kan daarom pas sprake zijn als de redelijke termijn is verlopen. Pas vanaf dat moment is de schuldenaar dan ook in verzuim. Uit het voorgaande volgde volgens de Hoge Raad dat pas sprake kan zijn van een tekortkoming, vanwege niet tijdig nakomen, als de schuldenaar in verzuim is.

In de onderliggende casus was de tijdsaanduiding ‘levering uiterlijk december 2011’ geen fatale termijn. De koper was daarom niet in verzuim door het laten verstrijken van de termijn, zonder het pand af te nemen. Uit het voorgaande volgt dat dus ook geen sprake is van een tekortkoming. De mededeling van de koper dat hij niet voor eind december zou voldoen, was daarmee ook geen mededeling waaruit bleek dat hij tekort zal schieten.

Conclusie

Bovenstaande arresten leren dat het niet altijd eenvoudig is om vast te stellen of sprake is van een fatale termijn. Mocht daarover twijfel bestaan dan is het aan te raden om een ingebrekestelling te versturen, voordat bijvoorbeeld overgegaan wordt tot ontbinding. Al merk ik daarbij wel op dat de ingebrekestelling natuurlijk niet tot doel heeft om het verzuim vast te stellen.