Vastgoed alert: verrekening in concernrelaties en arbitrage­procedures

Meer artikelen over:Vastgoed alert
Hugo Boom
Hugo Boom Advocaat

Uit een arrest van de Hoge Raad van 23 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:428) volgt een tweetal praktische tips met betrekking tot verrekening. Het arrest illustreert ten eerste dat het vereiste van wederkerig schuldenaarschap in dit verband kan worden weggecontracteerd. Ten tweede maakt de Hoge Raad uit dat de verwerping van een verrekeningsverweer in een arbitrageprocedure gezag van gewijsde heeft. In dit vastgoed alert lichten wij de tips van de Hoge Raad toe.

1. Wederkerig schuldenaarschap

Het gaat in het geschil dat leidde tot het arrest van de Hoge Raad om twee vennootschappen van een schoonmaakbedrijf, P&H Holding B.V. (hierna: P&H) en Previa Onderhoud B.V. (hierna: Previa), en een Accountantskantoor dat voor beide vennootschappen werkzaamheden verrichtte. In de procedure beroept het Accountantskantoor zich op de verrekening van een vordering die de advocaat, aan wie P&H en Previa hun vorderingen op het Accountantskantoor hebben overgedragen, tegen het kantoor heeft ingesteld.

Het hof wijst dit verrekeningsberoep af. Volgens het hof ontbreekt het voor verrekening vereiste wederkerige schuldenaarschap (artikel 6:127 lid 2 BW). Het hof overweegt daartoe dat het Accountantskantoor een vordering, die zij oorspronkelijk op P&H had, wil verrekenen met een vordering die oorspronkelijk aan Previa toebehoorde.

De Hoge Raad vernietigt dat oordeel. In het onderhavige geval was verrekening van deze twee vorderingen namelijk wel mogelijk. Dat zit als volgt: voor verrekening hoeft geen sprake te zijn van twee tegenover elkaar staande vorderingen van contractuele wederpartijen. Het vereiste van wederkerig schuldenaarschap (artikel 6:127 lid 2 BW) is slechts van regelend recht. Partijen kunnen daarover dus andere afspraken maken. Het hof zag met zijn oordeel ten onrechte aan de tussen partijen gemaakte afspraken voorbij, aldus de Hoge Raad.

Verruimen verrekeningsmogelijkheid?

Het vereiste van wederkerig schuldenaarschap kan dus worden weggecontracteerd. Dat kan praktisch zijn, bijvoorbeeld wanneer je zaken doet met verschillende werkmaatschappijen van hetzelfde concern. Je kunt dan een openstaande vordering op de ene werkmaatschappij verrekenen met een vordering van een andere werkmaatschappij. Het verdient in dat verband aanbeveling om een beding van die strekking in de algemene voorwaarden of (raam)overeenkomst op te nemen.

2. Gezag van gewijsde

Ten tweede maakt de Hoge Raad in dit arrest uit dat de verwerping van een verrekeningsverweer in een arbitrageprocedure gezag van gewijsde heeft. Dat betekent dat een verrekeningsverweer niet nog eens aan de orde kan worden gesteld in een opvolgende procedure bij de overheidsrechter.

Over deze kwestie bestond in de literatuur de nodige discussie. Toch overweegt de Hoge Raad in dit arrest onomwonden dat een verrekeningsverweer dat door een arbiter is verworpen, in beginsel niet (nogmaals) bij de overheidsrechter aan de orde kan worden gesteld.

Conclusie

Het vereiste van wederkerig schuldenaarschap kan worden weggecontracteerd, zo illustreert het hiervoor besproken arrest van de Hoge Raad. Dat kan met name praktisch zijn in een zakelijke relatie met een concern, waarbij facturen worden verstuurd naar verschillende werkmaatschappijen. In dat geval kan het raadzaam zijn om in de algemene voorwaarden of (raam)overeenkomst een beding op te nemen met de strekking dat vorderingen van de ene werkmaatschappij mogen worden verrekend met een vordering op de andere werkmaatschappij. Ook maakt dit arrest duidelijk dat de verwerping door een arbiter van een verrekeningsverweer gezag van gewijsde heeft.