Verplichting om op te komen tegen een positief dictum?

Het appelprocesrecht kent verschillende valkuilen die de kansen op een succesvol hoger beroep en daaropvolgend cassatieberoep verkleinen. Kennis daarvan is dus van groot belang. In deze blogreeks ‘procederen in hoger beroep’ belichten onze cassatieadvocaten steeds vanuit praktisch perspectief een aspect van een belangrijk appelprocesrechtelijk leerstuk. Dit keer: moet een partij opkomen tegen een voor haar positief dictum als dat mede is gegrond op voor haar negatieve overwegingen?

Hoger beroep slechts tegen negatief dictum versus voorkomen gezag van gewijsde

Soms kunnen procesrechtelijke regels die verschillende belangen dienen tot een ingewikkelde knoop leiden. In het recente Hoge Raad-arrest van 13 mei 2022[1] (X/Rederij De Drie Geuzen) botsen twee regels. Als uitgangspunt hoeft een partij slechts hoger beroep in te stellen als het dictum voor haar negatief is. Die regel is begrijpelijk. Partijen hebben in beginsel enkel belang bij hoger beroep of cassatie als de uitspraak voor hen ‘onder de streep’ heeft geleid tot een negatieve beslissing. Om te voorkomen dat partijen eindeloos over hetzelfde geschilpunt blijven doorprocederen, bepaalt art. 236 lid 1 Rv dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen, en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegane uitspraak, bindende kracht hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen. Die beslissingen hebben dan gezag van gewijsde.

De twee regels sluiten ogenschijnlijk op elkaar aan. Beslissingen die het dictum dragen, hebben bindende kracht in een opvolgend geschil. Als een partij dat wil voorkomen, moet zij daartegen een rechtsmiddel aanwenden.

In het arrest X/Rederij De Drie Geuzen doet zich echter een enigszins exotisch geval voor. Het op zichzelf voor de gedaagde positieve dictum, steunt mede op voor hem negatieve overwegingen. Daardoor rijst de vraag welke regel voorrang heeft. Mag de gedaagde partij het erbij laten zitten, omdat de beslissing ‘onder de streep’ voor haar voordelig is, of moet zij toch opkomen tegen die negatieve beslissingen om daaraan in een volgend geschil niet te zijn gebonden?

De casus

Hoe ontstond deze knoop in X/Rederij De Drie Geuzen? De voorzitter en statutair bestuurder van de Stichting Rederij De Drie Geuzen is op staande voet ontslagen. Dat ontslag vecht de voorzitter aan bij de rechtbank. De Stichting heeft de rechtbank verzocht de voorzitter te ontslaan als bestuurder van de Stichting als de rechtbank oordeelt dat hij niet rechtsgeldig is ontslagen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen en daaraan ten grondslag gelegd dat de voorzitter al rechtsgeldig was ontslagen. De voorzitter gaat niet in hoger beroep tegen deze voor hem onder de streep positieve beslissing.

In een nieuwe procedure vordert de voorzitter de vernietiging van het besluit tot zijn ontslag als statutair bestuurder. Het hof oordeelt in die procedure, met de rechtbank, dat het gezag van gewijsde van de beslissingen over de rechtsgeldigheid van het ontslag in de hiervoor besproken uitspraak aan toewijzing van de vordering in de weg staat. In cassatie stelt de voorzitter dit oordeel aan de orde.

De beslissing van de Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt dat indien een vordering of verzoek is afgewezen en deze afwijzing berust op een voor de gedaagde of verweerder nadelige beslissing over de rechtsbetrekking in geschil, die beslissing bij het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak gezag van gewijsde krijgt. Dit brengt mee dat de gedaagde of verweerder voldoende belang kan hebben bij een rechtsmiddel tegen die uitspraak, ook al strekt het dictum tot afwijzing van de vordering of het verzoek van de wederpartij. Kortom, ook bij een positief dictum moeten daarvoor dragende negatieve beslissingen worden bestreden.

Fafianie/KSN omsloot Rederij De Drie Geuzen al

De uitspraak van de Hoge Raad komt niet als een verrassing. Eenzelfde lijn valt al – in de context van de devolutieve werking van het hoger beroep – te ontwaren in het arrest Fafianie/KSN[2]waarover eerder deze blog is verschenen. Dat betrof een arbeidsrechtelijk geschil. De werkgever verweerde zich tegen de loonvordering van de werknemer met de stelling (a) dat geen arbeidsovereenkomst bestond en (b) dat de werknemer gedurende een deel van de duur van de arbeidsovereenkomst niet beschikbaar was voor werk en daarom geen recht had op loon. De kantonrechter oordeelde dat wel sprake was van een arbeidsovereenkomst, maar honoreerde het verweer onder (b) en wees de loonvordering deels toe en deels af. De werknemer ging vervolgens in (principaal) appel en vorderde dat de werkgever alsnog zou worden veroordeeld tot volledige loonbetaling.

Het hof behandelde onder de vlag van de positieve zijde van de devolutieve werking de stelling van de werkgever dat geen arbeidsovereenkomst tussen partijen bestond en achtte dat verweer gegrond. Daarvoor valt iets te zeggen. Het dictum van het vonnis was voor de werkgever immers grotendeels positief, zodat het op het eerste gezicht niet voor de hand lag dat hij daartegen moest grieven voor zover hij zich in de beperkte veroordeling kon vinden. Zou de werknemer tegen het afgewezen deel – voor de werkgever dus positieve deel – van de vordering grieven, dan is het geen vreemde veronderstelling dat de positieve zijde van de devolutieve werking de werkgever te hulp schiet. Mocht een grief tegen dat voor de werkgever positieve dictum slagen, dan moet het hof alsnog alle andere relevante verweren behandelen die in eerste aanleg binnen het door de grief omsloten rechtsstrijd zijn gevoerd. Hier betreft dat dus ook het verweer dat er geen arbeidsovereenkomst bestond. Dat verweer voerde hij immers ook tegen de afgewezen loonvordering.

Hier tekent zich echter de parallel af met X/Rederij De Drie Geuzen. Het dictum leunt óók op de voor de werkgever negatieve vaststelling dat de arbeidsovereenkomst wel bestaat en een deel van de vordering is op die grond toegewezen. Dat oordeel krijgt dus kracht en gezag van gewijsde als dat niet bestreden wordt in hoger beroep. Daartegen moet de werkgever dus wel zelf (incidenteel) hoger beroep instellen en kan hij niet vertrouwen op de devolutieve werking. De Hoge Raad oordeelt in Faifianie/KSN in lijn daarmee dat de werkgever geen incidenteel beroep heeft ingesteld tegen het vonnis voor zover daarbij de vordering van de werknemer is toegewezen. Het vonnis is daarom in zoverre op de voet van art. 236 Rv in kracht en gezag van gewijsde gegaan. In dat geval kan volgens de Hoge Raad met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige onherroepelijke uitspraken (rechtbank: wel een arbeidsovereenkomst, hof: geen arbeidsovereenkomst) onverkorte toepassing van de positieve zijde van de devolutieve werking niet worden aanvaard.

Conclusie

De in deze blog besproken arresten onderstrepen dat een partij niet te snel op basis van enkel het voor haar positieve dictum mag aannemen dat zij achterover kan gaan zitten. Leunt het dictum (deels) op voor haar negatieve overwegingen, dan moeten die in hoger beroep of cassatie bestreden worden. Zij kan daartoe niet vertrouwen op de positieve zijde van de devolutieve werking. Deze complexiteit vereist iedere keer een nauwkeurige analyse van de uitspraak.

 

 

[1] HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:683 (X/Stichting Rederij De Drie Geuzen).

[2] HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8514, NJ 2012/583 m.nt. H.B. Krans (Fafianie/KSN).