Vastgoed alert: verhuurderheffing ook voor anti-kraak- en leegstandwetwoningen

Meer artikelen over:HuurrechtVastgoed
Nicole Bokern
Nicole Bokern Advocaat

Verhuurders die meer dan vijftig sociale huurwoningen in eigendom hebben, kunnen verhuurderheffing verschuldigd zijn. In 2019 bedraagt de heffing 0,561% van de WOZ-waarde van de betreffende huurwoningen. De heffing ziet op alle ‘voor de verhuur bestemde’ woningen. Recent oordeelde de Hoge Raad dat ook anti-kraak en leegstandwetwoningen meetellen.

Welke woningen tellen mee?

Volgens artikel 1.2 onder de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II moet het gaan om voor verhuur bestemde woningen. Woningen die worden verhuurd aan personen die korte tijd in de woning verblijven, in het kader van hotel-, pension-, kamp- en/of vakantiebestedingsbedrijven, worden aangemerkt als recreatiewoningen en tellen niet mee voor de verhuurderheffing. Ook rijksmonumenten vallen erbuiten. Een woning die te koop staat en in de tussentijd tijdelijk wordt verhuurd, telt echter wel mee voor de heffing.

Ook anti-kraak- en leegstandwetwoningen

Recentelijk oordeelde de Hoge Raad dat óók anti-kraak- en leegstandwetwoningen ‘voor verhuur bestemde woningen’ zijn en daarom meetellen voor de verhuurderheffing (ECLI:NL:HR:2018:1313). In deze zaak bezat een verhuurder 62 woningen waarin tijdelijk huurders waren gehuisvest om leegstand, kraken of verloedering tegen te gaan (de anti-kraakwoningen). Daarnaast bezat de verhuurder 30 woningen die onder de Leegstandwet vielen en waarin ook tijdelijk huurders gehuisvest waren. Al deze personen hadden een overeenkomst gesloten met de verhuurder voor de tijdelijke huisvesting. De Belastingdienst meende dat deze woningen ‘voor verhuur bestemd’ waren en meetelden voor de verhuurderheffing. De verhuurder was het daar niet mee eens.

De Hoge Raad is het met de Belastingdienst eens en overweegt dat het in de rede ligt om als uitgangspunt te nemen dat woningen die op de peildatum daadwerkelijk worden verhuurd in de zin van artikel 7:201 BW ‘voor verhuur bestemd’ zijn. Dat kunnen dus ook verhuurde anti-kraak- en leegstandwetwoningen zijn. De eenvoud en uitvoerbaarheid van de regeling én de gelijke behandeling van verhuurders rechtvaardigen dit oordeel volgens de Hoge Raad. Eerder oordeelde de Hoge Raad al dat ook woningen waarvoor de kosten voor instandhouding en exploitatie hoger zijn dan de huur mee kunnen tellen voor de verhuurderheffing.

De Hoge Raad overweegt ook nog dat naast daadwerkelijke verhuurde woningen ook leegstaande woningen die te huur worden aangeboden meetellen voor de heffing. Deze zijn immers ook voor ‘verhuur bestemd’.

Doel verhuur niet relevant

De uitspraak van de Hoge Raad betekent dat woningen die verhuurd worden maar bestemd zijn om op korte termijn afgebroken te worden, toch aangemerkt kunnen worden als voor verhuur bestemde woningen. Deze woningen kunnen daarom meegenomen worden in de toepassing en berekening van de verhuurderheffing.