Over de vaststellings­overeenkomst die in strijd is met dwingend recht

Meer artikelen over:ArbeidsrechtCassatie
Paul Tanja
Paul Tanja Advocaat

De Hoge Raad wees afgelopen vrijdag (6 januari 2017) een arrest over de vraag in hoeverre een vaststellingsovereenkomst in strijd mag zijn met dwingend recht (ECLI:NL:HR:2017:19).

Pauzeregeling Blue Taxi door hof onjuist bevonden

Deze markante zaak betrof meerdere taxichauffeurs die in dienst waren bij Blue Taxi. De Stichting Sociaal Fonds Taxi ontdekte dat Blue Taxi zijn chauffeurs geen salaris uitbetaalde voor de wachttijd van de chauffeurs tussen ritten door. De verklaring die Blue Taxi hiervoor gaf, was dat wachttijd geldt als pauzetijd zoals in de cao voorzien. Dit leverde het voorbeeld op van een chauffeur die op één avond tweemaal anderhalf à twee uur stond te wachten bij Rotterdam Centraal Station op een volgende klant en daarvoor geen salaris ontving. Voordat Stichting Sociaal Fonds Taxi hierover een procedure begon, sloot Blue Taxi een vaststellingsovereenkomst met haar chauffeurs waarin zij afstand doen van alle eventuele (loon)vorderingen die zij op Blue Taxi hebben vanwege de mogelijk onjuiste toepassing van de pauzeregeling. De vraag was of dit door de beugel kon. Het hof oordeelde van niet en achtte de uitleg van de pauzeregeling door Taxi Blue onjuist.

Vaststellingsovereenkomst dient onzekerheid te beëindigen

Een vaststellingsovereenkomst (artikel 7:900 BW e.v.) strekt ertoe om een onzekerheid of geschil tussen partijen te beëindigen of te voorkomen. Partijen binden zich met een vaststellingsovereenkomst aan de daarin gegeven vaststelling over de tussen hen geldende situatie. Opmerkelijk is dat een vaststellingsovereenkomst op grond van artikel 7:902 BW ook geldig is, als zij in strijd blijkt te komen met dwingend recht. Deze mogelijkheid is niet beperkt tot de situatie dat partijen al een geschil hebben, maar bestaat ook als de vaststellingsovereenkomst ‘slechts’ een tussen hen bestaande onzekerheid in algemene zin beëindigt. Aan de mogelijkheid dat een vaststellingsovereenkomst zijn geldigheid behoudt als zij in strijd komt met dwingend recht, ligt de gedachte ten grondslag dat een onzekerheid of geschil tussen partijen juist kan voortvloeien uit onzekerheid of onenigheid over de juiste uitleg of uitwerking van een dwingendrechtelijke regel (zie HR 21 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1711). Als een vaststellingsovereenkomst leidt tot voorkoming van een procedure die partijen daarover kunnen voeren, wordt zogezegd op de koop toegenomen dat hun overeenkomst later in strijd blijkt met (de juiste uitleg of uitwerking van) de desbetreffende dwingendrechtelijke regel. Zo blijft partijen een gang naar de rechter bespaard.

Wanneer in strijd met dwingend recht?

Uit het arrest van afgelopen vrijdag blijkt evenwel, dat een vaststellingsovereenkomst alleen in strijd mag komen met dwingend recht als zij strekt tot beëindiging van een reeds bestaande onzekerheid of een reeds bestaand geschil. Die mogelijkheid bestaat dus niet indien de vaststellingsovereenkomst strekt tot voorkoming van een toekomstige onzekerheid of van een toekomstig geschil. De Hoge Raad geeft hiervoor geen verklaring, maar voor de hand ligt dat die erin is gelegen dat artikel 7:902 BW (waarin is bepaald dat een vaststellingsovereenkomst in strijd met dwingend recht mag zijn) niet is bedoeld om dwingend recht bij voorbaat al te omzeilen. Dat zou – vanzelfsprekend – het karakter van het dwingend recht teveel ondermijnen. Een andere inperking van artikel 7:902 BW blijkt uit de wettekst zelf en luidt dat een vaststellingsovereenkomst niet tevens in strijd mag komen met de goede zeden of openbare orde (zie over dit – niet altijd maakbare – onderscheid HR 1 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5609 (Esmilo/Mediq)). In dat geval is de overeenkomst eveneens ongeldig (artikel 3:40 BW). Van strijd met de openbare orde en goede zeden kan volgens de Hoge Raad (ook) sprake zijn als partijen een vaststellingsovereenkomst specifiek sluiten met het oogmerk om dwingend recht te omzeilen.

Conclusie voor Blue Taxi

Op basis van het voorgaande kon de vaststellingsovereenkomst van Blue Taxi met haar chauffeurs door de beugel, die immers strekte ter beëindiging van een bestaande onzekerheid ter voorkoming van een procedure. Op andere gronden laat de Hoge Raad het oordeel van het hof evenwel in stand.