Van Geest/Nederlof | Ken uw klassiekers

In deze rubriek bespreken de (cassatie)advocaten van BarentsKrans oude arresten die nog steeds relevant zijn. In de klassieker Van Geest/Nederlof uit 1990 (HR 21 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0088) duidt de Hoge Raad de onderlinge verhouding tussen de mededelingsplicht van de verkoper en de onderzoeksplicht van de koper bij een beroep op dwaling.

Dwaling wegens ongeoorloofd zwijgen

Op grond van art. 6:228 lid 1 sub b BW is een overeenkomst die onder invloed van dwaling tot stand is gekomen en bij een juiste gang van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten. Daartoe dient aan de hand van de omstandigheden van het geval vastgesteld te worden of er op de aangesproken partij een mededelingsplicht rustte. Van belang is onder meer of de partij in kwestie de ware stand van zaken kende of behoorde te kennen, of zij wist dat hetgeen waarover gedwaald werd van belang was voor de dwalende (‘het kenbaarheidsvereiste’) en of zij rekening moest houden met de dwaling.[1] Daartegenover staat dat degene die een overeenkomst wil aangaan tegenover de wederpartij in ieder geval gehouden is om “binnen redelijke grenzen maatregelen te nemen om te voorkomen dat hij onder invloed van onjuiste veronderstellingen zijn toestemming geeft”.[2] In de praktijk dient zich dan ook nog weleens de vraag aan of de dwalende zelf niet haar onderzoeksplicht heeft geschonden.

De feiten in Van Geest/Nederlof

Zo ook in deze klassieker. Van Geest koopt van Nederlof een tweedehands Citroën Visa Club. Ten tijde van de koop is zij op de hoogte van het feit dat de auto hersteld is na ‘schaderijden’. De ernst van de schade en de gebrekkige staat van de auto worden haar echter pas duidelijk wanneer zij, een maand na de koop, een keuringsrapport van de ANWB ontvangt. Daarin valt te lezen dat er sprake is van vrij ernstige schade, dat de auto in matige staat verkeert en dat diverse delen zijn vervangen, vervormd en overgespoten. Een lokaal autobedrijf verklaart vervolgens dat de auto betrokken is geweest bij een ernstige aanrijding en dat de voormalige eigenaren de schade zelfs op basis van total loss vergoed hebben gekregen.

Van Geest ziet zich dus geconfronteerd met een spreekwoordelijke ‘kat in de zak’ en stelt een vordering in. Zij voert aan dat Nederlof, gezien zijn kennis van de aanrijding en zijn deskundigheid enerzijds en haar ondeskundigheid anderzijds, een mededelingsplicht had. De rechtbank leest daarin een beroep op dwaling en vernietigt de koopovereenkomst. Het hof oordeelt daarentegen dat, hoewel op Nederlof een mededelingsplicht rustte, Van Geest een onderzoeksplicht had. Aan Van Geest valt volgens het hof meer te verwijten dan aan Nederlof, zodat een beroep op dwaling niet kan slagen.

Mededelingsplicht vs. onderzoeksplicht

 De Hoge Raad denkt daar anders over en oordeelt dat “wanneer een partij voor de totstandkoming van een overeenkomst aan de wederpartij bepaalde inlichtingen had behoren te geven ten einde te voorkomen dat de wederpartij zich omtrent het betreffende punt een onjuiste voorstelling zou maken, de goede trouw zich in het algemeen ertegen [zal] verzetten dat eerstgenoemde partij ter afwering van een beroep op dwaling aanvoert dat de wederpartij het ontstaan van de dwaling aan zichzelf heeft te wijten.”[3]

Een wederpartij kan, wanneer hij een mededelingsplicht heeft geschonden, in beginsel dus niet succesvol aanvoeren dat de dwalende zelf zijn onderzoeksplicht heeft verzaakt. De woorden ‘in het algemeen’ laten ruimte voor bijzondere omstandigheden die het uitgangpunt opzij zetten. Dit sluit ook aan bij het tweede lid van art. 6:228 BW dat bepaalt dat vernietiging niet mogelijk is wanneer de dwaling in verband met de aard van de overeenkomst, de verkeersopvattingen of de omstandigheden van het geval, voor rekening van de dwalende moeten blijven.

De Hoge Raad lijkt daarbij echter voorzichtig te werk te gaan. Zo volgt uit het arrest dat het enkele feit dat een koper ondeskundig is hem er niet toe verplicht om, op straffe van verlies van het recht om een dwalingsactie in te stellen, een onderzoek door een deskundige uit te laten voeren. Dat Van Geest de dwaling mogelijk had kunnen voorkomen door een deskundige in te schakelen, betekent dus niet dat zij zich niet op dwaling kan beroepen.

Bescherming koper

Hoewel menig jurist meteen aan Van Geest/Nederlof denkt als het over de verhouding tussen mededelingsplichten en onderzoeksplichten gaat, was de rechtsregel dat de mededelingsplicht over het algemeen boven de onderzoeksplicht prevaleert destijds niet nieuw.[4] Wel nieuw was de overweging van de Hoge Raad dat deze regel er juist ook toe strekt onvoorzichtige kopers te beschermen tegen de nadelige gevolgen van de dwaling.[5]

Uit de later gewezen arresten Offringa/Vinck (dwalingsactie wegens de verkoop van een huis met een gebrekkige fundering) en Beheermaatschappij/Stijnman (dwalingsactie naar aanleiding van een aandelentransactie) volgt dat zowel sprake kan zijn van een mededelingsplicht als van een onderzoeksplicht.[6] In die zin kunnen de plichten dus naast elkaar bestaan. Bij een dwalingsberoep zal de rechter – met vooropstelling van de hoofdregel uit Van Geest/Nederlof –  echter moeten beoordelen welke plicht prevaleert.

Het komt dus aan op de vraag of de wederpartij ten aanzien van bepaalde relevante gegevens, naar in het verkeerde geldende opvattingen, een mededelingsplicht heeft dan wel of hij die gegevens voor zich mag houden omdat hij erop mag vertrouwen dat zijn wederpartij een onderzoek zal instellen en daardoor met de gegevens bekend zal worden.[7] Daarbij dient volgens de Hoge Raad niet alleen rekening te worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van het geval, maar ook “en vooral” met de omstandigheid dat het uitgangspunt zoals geformuleerd in Van Geest/Nederlof ertoe strekt ook aan een onvoorzichtige koper bescherming te bieden.[8]

Onder bijzondere omstandigheden kan de onderzoeksplicht dus prevaleren.[9] Of en in welke mate van de dwalende mag worden verwacht dat hij een onderzoek instelt is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij met name gekeken dient te worden naar de persoon en het gedrag van de wederpartij.[10] De onderzoeksplicht gaat echter niet zover dat de contractant niet af zou mogen gaan op de juistheid van de mededelingen van de wederpartij. Onjuiste mededelingen rechtvaardigen in beginsel dan ook een beroep op dwaling. [11]

Conclusie

In de praktijk komt het dus aan op de vraag i) of de wederpartij gelet op zijn mededelingsplicht de dwalende had moeten inlichten en ii) of er bijzondere omstandigheden spelen die tot de conclusie nopen dat de onderzoeksplicht van de benadeelde alsnog aan een beroep op dwaling in de weg staat.

 

[1] Zie uitgebreid: Asser/Hijma 7-I 2019/339.

[2] HR 15 november 1957, NJ 1958, 67 (Baris/Riezenkamp); Zie ook recenter: HR 19 september 2003, NJ 2005/234 (Marks/Albert Schweitzer Ziekenhuis).

[3] Rov. 3.2.

[4] Zie voor een overzicht van oudere arresten: Conclusie a-g Hartkamp, ECLI:NL:PHR:1990:6, para. 6.

[5] Annotatie Hijma AA 40 (1991) 9, p. 665.

[6] Asser/Sieburgh 6-III 2018/230.

[7] HR 10 april 1998, Nj 1998/666, rov. 3.5.

[8] Ibid.

[9] Asser/Sieburgh 6-III 2018/230.

[10] GS Verbintenissenrecht, art. 6:228 BW, aant. 9.2.3.

[11] HR 19 september 2003, NJ 2005/234 (Marks/Albert Schweitzer Ziekenhuis).

 

Meer artikelen over:CassatieKen uw klassiekers