Van der Lely/Taxi Hofman | Ken uw klassiekers

In deze rubriek bespreken de (cassatie)advocaten van BarentsKrans oude arresten die nog steeds relevant zijn. In het arrest Van der Lely/Taxi Hofman[1] heeft de Hoge Raad zich gebogen over de vraag onder welke omstandigheden een werknemer moet ingaan op een voorstel van de werkgever tot wijziging van de arbeidsovereenkomst.

Feiten van het arrest Van der Lely/Taxi Hofman

Van der Lely is op 3 maart 1989 als voltijd chauffeur/centralist bij Taxi Hofman in dienst getreden. Ongeveer 2 jaar later werd Van der Lely arbeidsongeschikt als gevolg van psychische klachten. Na enige tijd, toen Van der Lely weer hersteld was, werd op initiatief van Van der Lely overeengekomen dat hij per 2 december 1991 werkzaamheden als administratief medewerker/centralist ging verrichten in plaats van als taxichauffeur/centralist. In 1993 werd Van der Lely opnieuw arbeidsongeschikt en op 25 april 1994 werd hij weer hersteld verklaard. In deze laatste periode van arbeidsongeschiktheid kreeg Van der Lely te horen dat hij na zijn herstel niet meer kon terugkeren in de functie van administratief medewerker/centralist. De dochter van de directeur deed dit werk inmiddels (de toenmalige administrateur was vertrokken en moest derhalve vervangen worden) en zij kon dit werk alleen af, omdat veel minder werk voorhanden was als gevolg van nieuwe wetgeving. Van der Lely moest dus weer op de taxi gaan rijden. Van der Lely wees dit aanbod van de hand en heeft sinds zijn hersteldmelding geen werkzaamheden meer verricht. Over deze periode heeft Taxi Hofman hem geen loon betaald.

Het geding in feitelijke instanties

Van der Lely vordert betaling van het loon vanaf 25 april 1994 omdat Taxi Hofman hem ten onrechte niet als administratief medewerker/centralist had laten werken. De vordering werd zowel in eerste aanleg bij de kantonrechter als in hoger beroep bij de rechtbank afgewezen. De rechtbank overwoog dat de overeengekomen functie van Van der Lely administratief medewerker/centralist was. In beginsel was Van der Lely dus niet gehouden om met ingang van 25 april 1994 andere werkzaamheden dan die van administratief medewerker/centralist te verrichten. Dit is echter anders indien:

  1. gelet op de omstandigheden van het geval, een redelijke grond bestond om van Van der Lely andere passende arbeid te verlangen, en;
  2. Van der Lely het verrichten van deze passende arbeid redelijkerwijs niet kon weigeren.

De rechtbank oordeelde dat van de hierboven genoemde omstandigheden sprake was. Aan voorwaarde a) was voldaan, omdat de toenmalige administrateur was vertrokken en deze functie was overgenomen door de dochter van de directeur en zij het werk alleen afkon. Daarbij was voorts van belang dat de aangeboden werkzaamheden passend waren gezien de ervaring van Van der Lely. Deze passende arbeid kon Van der Lely redelijkerwijs niet weigeren (voorwaarde b)), omdat een door de rechtbank benoemde deskundige concludeerde dat Van der Lely niet ongeschikt was voor het werk als taxichauffeur/centralist. De rechtbank leidde uit het onderzoek af dat Van der Lely in psychiatrisch opzicht voor geen enkele functie door ziekte of gebrek arbeidsongeschikt te achten was.

Oordeel Hoge Raad

In cassatie oordeelde de Hoge Raad dat de uitspraak van de rechtbank niet in strijd is met enige rechtsregel. De Hoge Raad oordeelde: “Uit de art. 7A:1638z en 7A:1639d (oud) BW — inmiddels samengebracht in art. 7:611 BW — blijkt dat de werkgever en de werknemer over en weer verplicht zijn zich als een goed werkgever respectievelijk een goed werknemer te gedragen. Dit brengt, wat de werknemer betreft, mee dat hij op redelijke voorstellen van de werkgever, verband houdende met gewijzigde omstandigheden op het werk, in het algemeen positief behoort in te gaan en dergelijke voorstellen alleen mag afwijzen wanneer aanvaarding ervan redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. Zulks wordt niet anders indien het zou gaan om gewijzigde omstandigheden die in de risicosfeer van de werkgever liggen. De hier bedoelde verplichting staat ook niet op gespannen voet met het dwingendrechtelijke stelsel van ontslagbescherming en is evenmin in strijd met de bescherming van de (arbeidsongeschikte) werknemer zoals die in wet en rechtspraak gestalte heeft gekregen. Zij betekent niet meer dan dat, behalve de werkgever, ook de werknemer zich in zijn contractuele verhouding tot de wederpartij redelijk behoort op te stellen. De bescherming van (arbeidsongeschikte) werknemers in het arbeidsrecht kan op zichzelf dan ook niet rechtvaardigen dat een werknemer een redelijk voorstel van zijn werkgever van de hand wijst.”[2]

Conclusie

Onder omstandigheden kan van een werknemer bereidheid worden verlangd om mee te werken aan de aanpassing van de arbeidsovereenkomst. Deze omstandigheden zijn: a) dat de werkgever gezien de omstandigheden een redelijk voorstel doet tot wijziging van de arbeidsovereenkomst, en b) de werknemer dit voorstel redelijkerwijs niet kan weigeren. Echter, met het arrest Van der Lely/Taxi Hofman was de kous niet af. Zo was onduidelijk hoe de rechtsregel uit dit arrest in verhouding stond met het in 1998 toegevoegde artikel 7:613 BW (het eenzijdige wijzigingsbeding) en het algemene kader van de redelijkheid en de billijkheid zoals geschetst in artikel 6:248 BW. Door de jaren heen is het arrest verduidelijkt[3] met als kers op de taart een andere klassieker: het arrest Stoof/Mammoet.[4] Sinds Stoof/Mammoet moet voor eenzijdige wijziging van de arbeidsovereenkomst (zonder eenzijdig wijzigingsbeding in de zin van artikel 7:613 BW) een bevestigend antwoord worden gegeven op de volgende drie vragen:

  1. Heeft de werkgever in de wijziging van de omstandigheden als goed werkgever aanleiding kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden?
  2. Is het voorstel – alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen – redelijk?
  3. Kan aanvaarding van het door de werkgever gedane redelijke voorstel in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid van de werknemer worden gevergd?

 

[1] HR 26 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2688, NJ 1998/767 (Van der Lely/Taxi Hofman).

[2] HR 26 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2688, NJ 1998/767, rov. 3.4 (Van der Lely/Taxi Hofman).

[3] Zie o.a. HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5648, JAR 2000/120 (Guitoneau/Midnet Tax); HR 14 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ0513, JAR 2003/296 (Drie S-invest/Mammoet).

[4] HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1847, JAR 2008/204 (Stoof/Mammoet).