Meer duidelijkheid over ondergrens toerekening schijn van volmacht

Afgelopen 3 februari verduidelijkte de Hoge Raad in twee arresten de maatstaf om te bepalen wanneer een schijn van volmacht voor risico van de achterman komt. De kern van het geschil in deze twee nieuwe arresten, is de maatstaf die de Hoge Raad in 2010 formuleerde in het arrest ING/Bera (ECLI:NL:HR:2010:BK7671):

“voor toerekening van een schijn van volmachtverlening aan de vertegenwoordigde is ook plaats ingeval de wederpartij gerechtvaardigd heeft vertrouwd dat er een volmacht aan de vertegenwoordiger is verleend op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de onbevoegd vertegenwoordigde komen en waaruit naar verkeersopvattingen een schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid.”

Zo speelt bij het cassatieberoep van het arrest van Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curacao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustasius en Saba (ECLI:NL:HR:2017:143) de vraag of Aventura aandelen van verzoeker verwerft op grond van twee aktes die alleen door de advocaat van verzoeker, mr. X zijn ondertekend. Het Gemeenschappelijk Hof overweegt dat er sprake is van een toerekenbare schijn van volmacht, omdat mr. X zich jegens Aventura heeft gepresenteerd als advocaat van verzoeker en daarom gemachtigd was om de aktes te ondertekenen.

Dit oordeel vindt de Hoge Raad te kort door de bocht. De Hoge Raad overweegt dat het risicobeginsel niet zo ver gaat dat voor toepassing daarvan ruimte is in gevallen waarin het tegenover de wederpartij gewekte vertrouwen uitsluitend is gebaseerd op verklaringen of gedragingen van de onbevoegd handelende persoon. Nu het Gemeenschappelijk Hof zijn oordeel alleen maar op gedragingen van mr. X heeft gebaseerd, kan dit oordeel niet overeind blijven.

Uit het andere arrest van 3 februari jl. (ECLI:NL:HR:2017:142) wordt duidelijk wat wél voldoende is om de door een advocaat gewekte schijn van volmacht toe te rekenen aan de achterman. Het betreft een geschil over een vastgoedportefeuille, waarvoor de eigenaar uiterlijk op 14 juni 2013 een hypothecaire lening van ongeveer EUR 3 miljoen moest aflossen. Daarom overweegt de eigenaar in samenspraak met zijn advocaat, mr. Y, om de portefeuille te verkopen. Mr. Y ontvangt kort voor de 14e juni een redelijk bod op de portefeuille en reageert daarop in een SMS aan de bieder dat er voor dat bedrag (EUR 3.225.000) in principe een deal is.  Er wordt een afspraak gemaakt bij de notaris om op 12 juni 2013 een overeenkomst te ondertekenen, waarop de eigenaar als verkoper staat genoemd. Uiteindelijk gaat deze deal echter niet door, omdat de eigenaar op de valreep besluit de lening te herfinancieren, zodat hij niet de gehele portefeuille in de verkoop hoeft te doen. Daardoor staat de bieder ineens met lege handen. De bieder beroept zich erop dat er een koopovereenkomst tot stand is gekomen doordat mr. Y de schijn van volmachtverlening heeft gewekt en hij daarop mocht vertrouwen. Het hof is van oordeel dat in deze zaak inderdaad de schijn is gewekt dat mr. Y de eigenaar inzake de verkoop vertegenwoordigde en dat die schijn aan de eigenaar moet worden toegerekend.

Dit oordeel blijft in cassatie overeind, omdat daarin ook feiten en omstandigheden besloten liggen die de eigenaar betreffen, aldus de Hoge Raad, die overweegt dat met name van belang is dat mr. Y beschikte over alle voor de verkoop relevante documenten en dat de bieder wist dat mr. Y als advocaat voor de eigenaar optrad (waarbij in rechte vaststond dat de eigenaar ermee instemde dat mr. Y in zijn eigen netwerk naar potentiële kopers zou zoeken).

Met deze arresten verduidelijkt de Hoge Raad de ondergrens voor toerekening van de schijn van volmacht: de opgewekte schijn komt niet voor toerekening in aanmerking wanneer die alleen maar blijkt uit verklaringen of gedragingen van de onbevoegd handelende persoon (zoals in de zaak van Aventura het geval was). Er zijn bijkomende omstandigheden, niet zijnde verklaringen van de onbevoegde vertegenwoordiger, vereist die betrekking hebben op de achterman. Deze ondergrens kwam in eerdere rechtspraak nog niet zo duidelijk naar voren.