Tenuitvoerlegging en schorsing daarvan: Hoge Raad verschaft duidelijkheid en uniformiteit

Meer artikelen over:Litigation

Op 20 december 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in vaak voorkomende situatie: partij A verliest een procedure van partij B. Partij A stelt hoger beroep in, maar omdat de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, kan partij B de uitspraak wel direct ten uitvoer leggen. Kan partij A dat dan alsnog voorkomen?

Er zijn dan twee voor de hand liggende mogelijkheden voor partij A om tenuitvoerlegging te proberen te voorkomen. Zo kan hij in het hoger beroep een incident opwerpen waarin hij schorsing van de tenuitvoerlegging vraagt (art. 351 of 360 lid 2 Rv) of hij vraagt aan de uitvoerbaarheid de voorwaarde van zekerheidstelling te verbinden (art. 235 Rv). Ook kan partij A een apart kort geding starten waarin hij vraagt om de tenuitvoerlegging te verbieden of te schorsen (art. 438 lid 2 Rv).

De omgekeerde situatie is ook mogelijk: partij A verliest een procedure van partij B. Partij A stelt hoger beroep in en omdat de uitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, kan partij B de uitspraak door het hoger beroep niet direct ten uitvoer leggen. In dat geval kan partij B in actie komen en in hoger beroep een incident opwerpen waarin hij vraagt de uitspraak alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren (art. 234 of 360 lid 2 Rv).

Allerhande opties voor in feite hetzelfde ‘interbellum’: de periode van het hoger beroep waarin nog niet duidelijk is of de eerste uitspraak stand zal houden, maar waarin een van de partijen die wel alvast ten uitvoer wil leggen.

De Hoge Raad uniformeert de normen

Hoewel de eiser tot cassatie in deze kwestie naar huis wordt gestuurd met een verworpen klacht omdat hij daar geen belang meer bij had volgens de Hoge Raad, heeft de eiser tot cassatie wel gezorgd dat de Nederlandse praktijk er weer een mooi overzichtsarrest bij heeft. De Hoge Raad zet duidelijk uiteen wat de verschillende mogelijkheden en daarbij horende normen zijn. Omdat tussen die normen echter – zonder goede reden – wel verschillen zaten, benut de Hoge Raad deze gelegenheid ook om deels terug te komen op eerdere uitspraken en de normen waar mogelijk en logisch te uniformeren. Wat volgt is een lezenswaardig arrest met – wel zo praktisch – de volgende handzame samenvatting:

  1. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.
  2. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf in een incident of in kort geding moet worden

uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing  aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.

  1. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is

gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

  1. Het voorgaande geldt in de volgende gevallen:
  2. in een incident tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad;
  3. in een incident tot zekerheidstelling;
  4. in een incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging;

iii. in een kort geding tot schorsing van de tenuitvoerlegging indien tegen de ten uitvoer te leggen uitspraak een rechtsmiddel is of nog kan worden ingesteld.

  1. In een kort geding over de tenuitvoerlegging van een uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan, geldt dat de schorsing alleen kan worden uitgesproken indien de (verdere) tenuitvoerlegging misbruik van bevoegdheid zou opleveren.

Opmerking bij de categorie ‘misbruik van bevoegdheid’

Over de categorie misbruik van bevoegdheid (onder e) merkt de Hoge Raad in rechtsoverweging 5.7.2 nog op dat deze niet beperkt is tot enkele situaties die hij in een eerdere uitspraak van 22 april 1983 heeft genoemd. Er kunnen zich volgens de Hoge Raad ook andere situaties voordien waarin in verband met na de uitspraak voorgevallen of aan het licht gekomen feiten sprake is van misbruik van bevoegdheid. Hoewel de lat voor misbruik dus hoog ligt, kunnen er wel allerhande situaties onder vallen.