Splitsingswet niet in strijd met Europees recht

Meer artikelen over:Cassatie

De Hoge Raad heeft op vrijdag 26 juni jl. beslist dat de Splitsingswet niet in strijd is met het recht van de Europese Unie, in het bijzonder met het vrij verkeer van kapitaal en de vrijheid van vestiging. Essent, Eneco en Delta hadden een procedure tegen de Staat hierover aangespannen. Het Haagse hof had geoordeeld dat de splitsingswet in strijd is met het Europese recht. De Hoge Raad heeft – in lijn met het prejudicieel arrest van het Europese Hof van Justitie – het arrest van het Haagse hof vernietigd en de zaak van Delta en Eneco terugverwezen naar het hof wat betreft hun beroep op het art. 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens. Cassatie advocaten Jan-Paul Heering en Rieme-Jan Tjittes stonden Delta bij in deze zaak.

Met deze uitspraak van de Hoge Raad zijn de vorderingen van Essent op de Staat definitief afgewezen. De zaken van Delta en Eneco verwijst de Hoge Raad terug naar het hof, maar uitsluitend wat betreft hun beroep op het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens. Het hof moet beoordelen of Eneco en Delta zich hier terecht op beroepen.

Volgens de Splitsingswet mogen beheerders van elektriciteits- en gasnetwerken geen deel uitmaken van een groep ondernemingen waartoe ook bedrijven behoren die in Nederland energie produceren, leveren of daarin handelen (het ‘groepsverbod’). Evenmin mogen binnen de groep waartoe de netbeheerder behoort activiteiten worden verricht die strijdig kunnen zijn met het belang van het beheer van het desbetreffend energienet (het ‘verbod op nevenactiviteiten’).

Als gevolg van het groepsverbod moeten Essent, Eneco en Delta zich zodanig opsplitsen dat de netbeheerder geen onderdeel meer van de groep uitmaakt.  De overheid behoudt de aandelen in de netbeheerder, en de overige onderdelen van deze ondernemingen mogen aan private aandeelhouders worden overgedragen.

Geschil

Essent, Eneco en Delta vinden dat het groepsverbod en het verbod op nevenactiviteiten in strijd zijn met het recht van de Europese Unie, in het bijzonder met het vrij verkeer van kapitaal (art. 63 VWEU) en de vrijheid van vestiging (art. 49 VWEU). Daarnaast beroepen zij zich op de bescherming van eigendom door art. 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Uitspraak

De wetgever heeft met de Splitsingswet de leveringszekerheid van gas en elektriciteit op een hoog niveau willen waarborgen. Door middel van een volledige splitsing tussen de netbeheerder en de productie- en verkoopbedrijven heeft de wetgever de energiemarkt transparant willen maken. Dit is in het belang van afnemers, waaronder consumenten.

Deze doelstellingen van de Splitsingswet zijn volgens de Hoge Raad, ook gelet op de beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie, belangrijke redenen van algemeen belang. Met het groepsverbod en het verbod op nevenactiviteiten worden de doelstellingen van de Splitsingswet  bereikt terwijl ze niet verder gaan dan daarvoor noodzakelijk is. Om die reden oordeelt de Hoge Raad dat deze belemmeringen van het vrij verkeer van kapitaal en de vrijheid van vestiging gerechtvaardigd zijn.

De Hoge Raad gaat niet in op het beroep dat Eneco en Delta doen op het EVRM. Het hof was daar namelijk eerder niet aan toegekomen. Daarom verwijst de Hoge Raad deze zaken terug zodat het hof hier alsnog over kan oordelen. Essent stelde dit in hoger beroep niet aan de orde en daarom eindigt voor Essent de procedure hier.

Lees ook het persbericht van de Hoge Raad.