Schending waarheidsplicht kan leiden tot verlies van de procedure

Artikel 21 Rv: de waarheids- en volledigheidsplicht

Een belangrijk beginsel van het burgerlijk procesrecht is dat procespartijen alle voor de beslissing relevante informatie volledig en waarheidsgetrouw aanvoeren. Dit uitgangspunt is vastgelegd in artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), en wordt ook wel de waarheids- en volledigheidsplicht genoemd. De omvang van deze plicht is niet exact aan te geven, maar partijen mogen in elk geval geen leugens verkondigen of feiten achterhouden waardoor de rechter op het verkeerde been wordt gezet.[1] Doel hiervan is dat de uitspraak van de rechter zoveel mogelijk op waarheid berust.

Als een partij de waarheidsplicht schendt, kan de rechter daaruit ‘de gevolgtrekking maken die de rechter geraden acht’. Van die bevoegdheid maken rechters steeds vaker en op creatieve wijze gebruik.[2] Enkele voorbeelden van sancties die de rechter in dit verband kan opleggen zijn: omkering van de bewijslast, het weigeren van bewijsmiddelen, het uitsluiten van stellingen, het afwijken van het wettelijk systeem van proceskostenveroordelingen of het slechts benoemen van de schending.[3] Een arrest van de Hoge Raad van 16 juli 2021 dat in deze bijdrage centraal staat, laat zien dat een schending van de waarheidsplicht verstrekkende gevolgen kan hebben.[4]

Een loods, hennepkwekerij en brand

De feiten in deze zaak zijn als volgt. Eisers zijn eigenaar van een loods en verhuren de loods aan particulieren. Door bemiddeling van een assurantietussenpersoon verzekeren eisers de loods tegen brand bij ASR. Op enig moment zegt ASR de brandverzekering op omdat eisers weigeren de voorgeschreven preventiemaatregelen uit te voeren. Met advies en bemiddeling van de tussenpersoon  verzekeren eisers de loods vervolgens tegen brand bij Aegon. Belangrijk detail is dat eisers in het aanvraagformulier ontkennen dat de eerdere verzekering door ASR is opgezegd. Slechts enkele dagen na het aangaan van de nieuwe verzekering, ontmantelt de politie een hennepkwekerij in de loods. Eén van de eisers wordt als verdachte aangehouden. Twee maanden later brandt de loods volledig af. De oorzaak van de brand kan niet worden vastgesteld. Eisers dienen daarop een claim in bij Aegon tot vergoeding van de brandschade. Aegon weigert echter dekking en beëindigt de verzekering, omdat eisers hebben verzwegen dat de eerdere brandverzekering was opgezegd. Daarbij komt dat eisers het bestaan van de hennepkwekerij hebben achtergehouden. Eisers stellen vervolgens de tussenpersoon voor de schade aansprakelijk op de grond dat deze zijn zorgplicht heeft geschonden door eisers zowel te adviseren de verzekering bij Aegon af te sluiten, als het aanvraagformulier in te (laten) vullen zoals is gedaan (met de ontkenning van de eerdere opzegging).

Oordeel Rechtbank en Hof

De rechtbank Noord-Holland volgt aanvankelijk de lijn van eisers en komt tot de slotsom dat de tussenpersoon zijn zorgplicht heeft geschonden. Het causale verband tussen de zorgplichtschending en de schade neemt de rechtbank echter niet aan. Vanwege de hennepkwekerij had Aegon namelijk sowieso geen dekking verleend, aldus de rechtbank. Eisers moeten daarom bewijzen dat zij de loods toch bij een andere verzekeraar tegen brandschade hadden kunnen verzekeren. In dit bewijs slagen zij. Maar dan komt plots aan het licht dat de hennepkwekerij niet door een huurder, maar door één van de eisers zelf is opgericht en dat deze ook illegaal stroom heeft afgetapt. Feiten die eisers tot dan toe hadden achtergehouden, maar voor de beslissing van de rechter van wezenlijk belang zijn. De tussenpersoon zou immers, zo geeft hij aan, nooit voor eisers hebben bemiddeld als hij dit had geweten. De rechtbank komt tot de slotsom dat eisers hiermee de waarheidsplicht van artikel 21 Rv hebben geschonden en verbindt daaraan een zware sanctie: afwijzing van alle vorderingen.

Eisers gaan in hoger beroep. Bij het Hof Amsterdam voeren zij aan dat de herstel- en herkansingsfunctie van het hoger beroep hen de mogelijkheid geeft om hun eerdere fout, schending van de waarheidsplicht, te herstellen. Hier gaat het Hof echter niet in mee: de herstelfunctie van het hoger beroep gaat in de omstandigheden van het geval niet zo ver dat dit herstel van een dergelijke ernstige fout mogelijk zou maken. Het feit dat eisers hier – naar eigen zeggen – zwaar door zijn getroffen en spijt hebben, doet hier niet aan af. Het Hof bekrachtigt op deze grond het vonnis van de rechtbank.

Oordeel Hoge Raad

In cassatie klagen eisers vervolgens dat de herstel- en herkansingsfunctie van het hoger beroep ook onverkort bij een (ernstige) schending van de waarheidsplicht geldt. Daarnaast voeren zij aan dat het Hof heeft miskend dat er ook minder vergaande sancties mogelijk waren dan het volledig afwijzen van de vorderingen. Dit beroep wordt verworpen. De Hoge Raad stelt vast dat het Hof heeft geoordeeld dat er sprake is van een ernstige schending van de waarheidsplicht omdat het feiten betreft die van wezenlijk belang zijn voor de beoordeling van de vordering. Hoewel eisers door afwijzing van de vordering zwaar worden getroffen, hebben eisers weloverwogen en doelbewust relevante informatie achtergehouden met als doel een hoge schadevergoeding van € 400.000 te krijgen. Daar heeft het Hof aan toegevoegd dat als op het schenden van de waarheidsplicht geen strenge sanctie zou staan, “dat door procespartijen als een vrijbrief zou kunnen worden ervaren om te pogen door middel van onwaarheden de wederpartij en de rechter op het verkeerde been te zetten, in de hoop er met een lichte sanctie vanaf te komen als de onwaarheden onverhoopt aan het licht zouden komen”. Door onder deze omstandigheden de vorderingen volledig af te wijzen en niet te volstaan met een lichtere sanctie, heeft het Hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zo meent de Hoge Raad. Anders dan het middel veronderstelt, heeft het Hof niet aangenomen dat schending van artikel 21 Rv altijd het gevolg van afwijzing van de vorderingen meebrengt.

Conclusie

Dit arrest van de Hoge Raad leert dat een schending van de waarheidsplicht verstrekkende en onherstelbare gevolgen kan hebben voor de uitkomst van een procedure. De rechter is vrij om de aard en zwaarte van de sanctie te bepalen en af te stemmen op de ernst van die schending. Liegen of het verzwijgen van belangrijke feiten kan daarmee zelfs tot het verlies van de procedure leiden. Belangrijke les is daarom dat de waarheids- en volledigheidsplicht beslist geen lege huls is.

[1] Concl. A-G- de Bock, ECLI:NL:PHR:2021:38, bij HR 16 juli 2021, JIN 2021/124, m. nt. M.A.J.G. Janssen.

[2] C.J-A Seinen, ‘De waarheidsplicht en de geraden gevolgtrekking anno 2020: een zoektocht naar proportionaliteit’, TCR 2020/2.

[3] M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, Den Haag: Boom Juridisch 2020, p. 283.

[4] HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1144.