Schadebegroting bij verlies aan ondernemingswaarde

Serena Zaccà
Serena Zaccà Advocaat

Het begroten van schade kan gecompliceerd zijn. Wanneer de aansprakelijkheid eenmaal is gevestigd, dient de rechter te beslissen welk bedrag aan schadevergoeding de benadeelde partij ontvangt. Het begroten kan des te ingewikkelder zijn wanneer de eisende partij als gevolg van een handeling van de gedaagde partij haar onderneming niet kon uitbreiden. De rechter dient zich dan uit te laten over wat er zou zijn gebeurd, als de onderneming wel had kunnen uitbreiden. Onlangs deed de Hoge Raad uitspraak in een dergelijk geval. Deze blog bespreekt hoe de Hoge Raad omging met het begroten van die schade en de geleverde deskundigenrapporten.

De feiten

Een betonpalenfabriek zou in 1975 een stuk grond geleverd krijgen van (een rechtsvoorganger van) de gemeente Vianen. De gemeente liet echter na het terrein te leveren. Hierdoor kon de fabriek haar geplande uitbreiding niet uitvoeren. Er is jarenlang geprocedeerd over de vraag of de gemeente hiervoor schadeplichtig was jegens de fabriek. In 1989 heeft de Hoge Raad dit bevestigend beantwoord. Daarna volgde de schadestaatprocedure, welke hier wordt besproken. De rechtbank wees de vordering tot schadevergoeding van de fabriek af.

Hoger beroep

De fabriek ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. Het hof stelde drie deskundigen aan om zich uit te laten over de schadebegroting. De deskundigen stelden dat de fabriek geldstromen was misgelopen omdat de geplande uitbreiding niet kon plaatsvinden. De schade van de fabriek bestond, volgens de deskundigen, uit dit verlies aan geldstromen.

De berekening van de schade door de deskundigen

Hoe berekenden de deskundigen de schade? De deskundigen vergeleken twee situaties met elkaar: de werkelijke situatie met schadeoorzaak (waar de uitbreiding niet kon plaatsvinden) en de hypothetische situatie zonder schadeoorzaak, waarbij de uitbreiding wel had plaatsgevonden. Bij de hypothetische situatie hielden de deskundigen rekening met de omstandigheden zoals deze zich daadwerkelijk hadden voorgedaan na 1975 (zoals inflatie en de prijsontwikkeling van producten en grondstoffen). De deskundigen hebben zodoende geprobeerd het meest realistische scenario te reproduceren. Tot slot hebben de deskundigen een zogenoemde risico-opslag genomen. Dit is inherent aan de door de deskundigen gekozen manier van waardering. De risico-opslag houdt in dat men aan het einde van de berekening het bedrag vermindert omdat ondernemen altijd risico’s met zich meebrengt, die verdisconteerd moeten worden (zoals de risico’s verbonden aan de markt, de branche en de bedrijfsgrootte).

Beoordeling door het hof

Het hof stelde dat de door de deskundigen gekozen waarderingsmethode getoetst moest worden aan de juridische kaders die daarvoor gelden. Hierbij geldt dat de benadeelde in de situatie moet worden gebracht waarin deze zou verkeren, als het schadeveroorzakende feit zich niet had voorgedaan. Hierbij past inderdaad dat het werkelijke scenario wordt vergeleken met het hypothetische scenario. De deskundigen hadden rekening gehouden met omstandigheden zoals deze zich daadwerkelijk hadden voorgedaan – het staat de rechter inderdaad vrij deze omstandigheden mee te nemen. Het hof was echter minder gelukkig met de opgenomen risico-opslag. Bij het reproduceren van het hypothetische scenario hadden de deskundigen immers onvermijdbaar reeds inschattingen gemaakt. Een aanvullende risico-opslag zou, volgens het hof, neerkomen op een dubbele verdiscontering van risico’s en onzekerheden. Het hof kwam tot het oordeel dat de schadebegroting van de deskundigen kon worden overgenomen, met uitzondering van de risico-opslag. Zodoende viel de schadevergoeding hoger uit dan wanneer wel gerekend zou worden met een risico-opslag.

De Hoge Raad

Beide partijen hebben in cassatie geklaagd. Hier beperk ik mij tot de klacht van de gemeente tegen het weglaten van de risico-opslag. De gemeente betoogde dat het hof de risico-opslag niet achterwege had mogen laten, omdat deze inherent is aan de door de deskundigen gebruikte methode. De risico’s die in de opslag tot uitdrukking komen, waren nog niet meegenomen in de prognoses die ten grondslag liggen aan het scenario zonder schadeoorzaak, aldus de gemeente. Zonder deze opslag zou de schade te hoog worden begroot. De Hoge Raad ging hier niet in mee. Het oordeel van het hof gaf geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was niet onbegrijpelijk. Bovendien was het hof er niet toe gehouden om de deskundigen opnieuw te raadplegen: de deskundigen waren immers aanwezig op de comparitie en het hof had hen uitgebreid vragen gesteld.

Conclusie

Schadebegroting blijft gecompliceerd. Niet zelden komen er deskundigen aan te pas. Deze uitspraak van de Hoge Raad laat zien dat de door de deskundigen gekozen waarderingsmethode niet altijd de toets aan het juridische kader doorstaat. Bij de schadebegroting worden twee scenario’s vergeleken: het werkelijke scenario en het hypothetische scenario waarin het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Indien bij het vaststellen van dit laatste scenario inherent keuzes zijn gemaakt die onzekerheden met zich brengen, dient aan het einde niet tevens een risico-opslag te worden opgenomen (ondanks dat dit bij de gekozen waarderingsmethode wel gebruikelijk is). Dit zou leiden tot een dubbele verdiscontering van onzekerheden en risico’s.