Ruimte voor solidariteitsstaking bij concurrent

Meer artikelen over:Arbeidsrecht
Laurens de Graaf
Laurens de Graaf Advocaat / partner

Op 31 oktober 2014 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waarin vakbonden veel ruimte wordt gegeven om een staking mede te laten plaatsvinden bij een concurrent van het bedrijf waarmee men in conflict is. Daardoor kunnen klanten van dat bedrijf voor grote problemen komen te staan, omdat zij het ‘bestaakte’ werk ook niet door de concurrentie kunnen laten uitvoeren.

Stakingsrecht: hoe zat het ook alweer?

In de Nederlandse wet is geen stakingsrecht opgenomen. Leidend is daarom art. 6 lid 4 van het Europees Sociaal Handvest (ESH). Daarin is het stakingsrecht wel verankerd. Het Handvest werkt rechtstreeks door in de Nederlandse rechtssfeer. Art. 6 lid 4 ESH bepaalt, samengevat, dat werknemers collectief mogen optreden of staken om de doeltreffende uitoefeningvan het recht op collectief onderhandelen te waarborgen. Het stakingsrecht mag echter worden beperkt als het een disproportionele inbreuk maakt op rechten van derden (art. G ESH).

Wat speelde in deze zaak?

Rietlanden is een op- en overslagbedrijf in de Amsterdamse haven. Het had een geschil met vakbonden en er vonden bij het bedrijf al een tijdje collectieve acties plaats. Enerco, een kolenwasserij, is een klant van Rietlanden. Kolen bestemd voor Enerco werden in de Amsterdamse haven gelost door Rietlanden. Begin oktober 2012 kwam een schip met 120.000 ton steenkool voor Enerco aan in de haven. Enerco verzocht Rietlanden om het schip te lichten en te lossen. Er ontstond echter een onaangekondigde staking bij Rietlanden, waardoor het schip niet werd gelost. De vakbonden hebben hun kaderleden bij andere overslagbedrijven – concurrenten van Rietlanden – vervolgens verzocht ook te weigeren schepen van klanten van Rietlanden te lossen (de zgn. besmetverklaring). Die oproep is in grote mate opgevolgd. Als gevolg hiervan kon Enerco niet de beschikking krijgen over haar kolen. Enerco heeft de vakbonden verzocht de besmetverklaring op te heffen zodat de partij kolen door een andere partij kon worden gelost, maar dat is geweigerd.

Uitspraak Hoge Raad

De Hoge Raad moest oordelen over de vraag of de vakbonden de werkzaamheden voor Enerco besmet mochten verklaren vanwege het conflict bij Rietlanden. Anders dan het Hof oordeelt de Hoge Raad dat de besmetverklaring door art. 6 lid 4 ESH wordt gedekt. Volgens de Raad moet het recht uit art. 6 lid 4 ESH niet beperkt worden uitgelegd, mede omdat het een sociaal grondrecht is. Hij overweegt dat de vakbonden daarom in principe vrij zijn om te bepalen met welke middelen zij hun doel willen bereiken: als de stakingsactie maar “redelijkerwijs kan bijdragen” aan een “doeltreffende uitoefening” van het recht op collectief onderhandelen, is de actie door art. 6 lid 4 ESH gedekt. Zoals vermeld kan dat recht worden beperkt als het een disproportionele inbreuk maakt op rechten van derden, zoals Enerco. Volgens de Hoge Raad is het aan die derde partij om de disproportionaliteit van die inbreuk aannemelijk te maken. Daarvoor is onvoldoende dat vaststaat dat de derde schade lijdt, omdat dat onvermijdelijk is bij een stakingsactie. Bij een beroep op de disproportionaliteit van de inbreuk vanwege geleden en te lijden schade, moet de derde méér aannemelijk maken, zoals de omvang van de schade, de betrokken belangen en andere relevante omstandigheden. In de Enerco-zaak dient het Hof in Den Bosch alsnog te beoordelen of Enerco aan deze vereisten heeft voldaan.

Gevolgen voor de praktijk

Vrijwel iedere staking heeft gevolgen voor derden. Denk aan de recente staking bij AirFrance. Veel passagiers konden hun reis echter alsnog door concurrenten van AirFrance laten uitvoeren. Maar stel nu dat de vakbonden met succes werknemers van andere luchtvaartmaatschappijen hadden opgeroepen om ook geen tickets te verkopen aan die AirFrance-passagiers. Dat zou ver gaan, maar is in wezen wat in deze zaak gebeurde. Na een oproep van de vakbonden weigerden werknemers van concurrenten van Rietlanden werk te verrichten voor klanten van Rietlanden, zoals Enerco. Hierdoor kon Enerco het bij Rietlanden ‘bestaakte’ werk ook niet door een concurrent laten uitvoeren.

Het oordeel van de Hoge Raad komt erop neer dat een dergelijke oproep is toegestaan, als die redelijkerwijs kan bijdragen aan het doel dat de vakbonden hebben: het creëren van druk in de collectieve onderhandelingen met – in dit geval – de leverancier van Enerco. De Hoge Raad lijkt zo’n geoorloofde bijdrage in de Enerco-zaak aanwezig te achten. De handhaving van de besmetverklaring kan Enerco immers prikkelen om druk uit te oefenen op Rietlanden in haar geschil met de vakbonden, aldus de Hoge Raad. De uitspraak maakt verder duidelijk dat een derde partij die op deze wijze schade wordt toegebracht, daar niet eenvoudig tegen kan opkomen. Het is volgens de Hoge Raad namelijk onvermijdelijk dat derden schade lijden door een staking. Derden moeten aannemelijk maken dat de verhouding tussen het belang van de stakingsactie en de geleden schade (en eventuele andere belangen) disproportioneel is. Pas dan kan het stakingsrecht worden beperkt.

Naar verwachting zullen vakbonden de geboden ruimte gaan benutten. Het risico om als derde partij ongewild betrokken te raken bij een stakingsconflict bij een klant of leverancier, is hiermee groter geworden.