Recht op afgifte verborgen camerabeelden?

Meer artikelen over:Cassatie
Joost Luiten
Joost Luiten Advocaat

De exhibitieplicht van artikel 843a Rv en het recht op vrije nieuwsgaring

Artikel 843a Rv bepaalt dat een (rechts)persoon die partij is in een rechtsbetrekking inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden (bijvoorbeeld filmmateriaal) die die rechtsbetrekking aangaan. In een arrest van de Hoge Raad van vrijdag 29 september 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2518) komt aan de orde of een artikel 843a-vordering ook toewijsbaar is als de eiser andere mogelijkheden tot bewijsvergaring onbenut heeft gelaten en hoe een dergelijke vordering zich verhoudt tot de bescherming van vrije nieuwsgaring onder artikel 10 EVRM en de daarin besloten liggende vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

Beelden verborgen camera opeisbaar?

In een uitzending van het TROS-programma Radar uit 2008 werden heimelijk gemaakte opnames getoond van een callcenter dat klanten benaderde namens Pretium, een aanbieder van telecommunicatiediensten. Uit de opnamen zou blijken dat Pretium agressieve en onfatsoenlijke belpraktijken gebruikte, gericht op kwetsbare consumenten. Pretium startte een procedure waarin zij onder meer een verklaring voor recht vorderde dat TROS jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door haar van wanpraktijken te beschuldigen. Daarbij wierp Pretium ook een exhibitie-incident ex artikel 843a Rv op, waarin zij vorderde dat TROS zou worden opgedragen een afschrift te verstrekken van de volledige heimelijk gemaakte opnames.

Artikel 843 a Rv en artikel 10 EVRM

De partij die over bepaalde bescheiden beschikt en zich geconfronteerd ziet met een in beginsel gegronde artikel 843a-vordering is blijkens lid 4 van dat artikel in twee gevallen toch niet gehouden inzage of afschrift te verstrekken: ten eerste als daarvoor gewichtige redenen zijn en ten tweede als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gegevens is gewaarborgd. Beide uitzonderingen spelen in deze zaak een rol in het oordeel van het Hof en de Hoge Raad.

Naast artikel 843a Rv, speelt nog een ander artikel een belangrijke rol. TROS had zich namelijk beroepen op artikel 10 EVRM, het recht op vrijheid van meningsuiting en vrije nieuwsgaring, onder verwijzing naar jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) waaruit blijkt dat dit artikel onder meer strekt tot bescherming van journalistieke bronnen. De medewerkers van het callcenter op de beelden van TROS zijn weliswaar niet aan te merken als journalistieke bronnen, maar in het Nordisk-arrest waarin ook afgifte werd gevorderd van journalistiek materiaal opgenomen met een verborgen camera – bepaalde het EHRM dat de bescherming van artikel 10 EVRM onder omstandigheden ook in dit soort situaties kan gelden. De gedwongen afgifte van journalistiek onderzoeksmateriaal zou volgens het EHRM namelijk een “chilling effect” kunnen hebben op de uitoefening van de persvrijheid.

Het Hof: inbreuk op artikel 10 EVRM niet gerechtvaardigd

Het Gerechtshof Den Haag oordeelde, onder verwijzing naar het Nordisk-arrest, dat het beeldmateriaal van TROS viel onder de bescherming van het recht op vrije meningsuiting en vrije nieuwsgaring als bedoeld in artikel 10 EVRM. Volgens het Hof kan het gebruik van een verborgen camera noodzakelijk zijn om maatschappelijke misstanden overtuigend aan de kaak te kunnen stellen. Wanneer journalisten tot afgifte van deze camerabeelden gedwongen zouden kunnen worden, zou dit ertoe kunnen leiden dat zij terughoudender worden met het gebruik van deze onderzoeksmethode, waardoor dergelijke misstanden minder vaak openbaar zullen worden. Omdat het beeldmateriaal van TROS beschermd wordt door artikel 10 EVRM, vormt de vordering van Pretium een inbreuk op dat artikel en een dergelijke inbreuk is slechts gerechtvaardigd indien deze bij wet is voorzien en, met inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit, noodzakelijk is in een democratische samenleving. Deze maatstaf wordt volgens het Hof niet gehaald, met name omdat Pretium in dit geval ook bewijs had kunnen leveren van haar stellingen door getuigen te horen. De medewerkers van het callcenter zouden immers kunnen verklaren over de gang van zaken bij het maken van de TROS-opnamen en de wijze waarop namens Pretium consumenten werden benaderd. Pretium had deze bewijsmogelijkheid moeten benutten alvorens haar vordering ex art. 843a Rv in te stellen, aldus het Hof.

De Hoge Raad: subsidiariteitsvereiste artikel 843a lid 4 Rv niet absoluut

In cassatie werd door Pretium onder meer geklaagd dat het Hof uitging van een onjuiste rechtsopvatting over artikel 843a Rv. Krachtens lid 4 van dit artikel hoeft aan een vordering tot het verstrekken van afschrift van of inzage in bescheiden niet te worden voldaan indien een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. Het Hof zou deze uitzondering echter te lichtvaardig hebben toegepast en ten onrechte hebben aangenomen dat een vordering uit hoofde van artikel 843a Rv pas toewijsbaar is als alle andere mogelijkheden tot levering van bewijs zijn uitgeput.

De Hoge Raad komt gedeeltelijk aan de in het middel genoemde bezwaren tegemoet. De uitzondering van artikel 843a lid 4 Rv moet worden toegepast in het licht van de omstandigheden van het geval en met inachtneming van de belangen van de betrokken partijen. Daarbij kan ook een rol spelen dat een andere wijze van vergaring van bewijs bezwaarlijker of mogelijk minder effectief zou zijn. In zijn algemeenheid ligt volgens de Hoge Raad daarom in artikel 843a lid 4 Rv niet de eis besloten dat een vordering tot inzage in of afgifte van bescheiden slechts kan worden toegewezen als andere mogelijkheden tot bewijsvergaring uitgeput zijn. Toch kunnen daarmee de klachten van Pretium nog niet slagen. Het Hof heeft zijn oordeel namelijk gebaseerd op het feit dat de vordering van Pretium een inbreuk vormt op artikel 10 EVRM. Een dergelijke inbreuk is alleen toelaatbaar wanneer deze proportioneel is ten opzichte van het daarmee gediende doel en wanneer dit doel niet op een andere, minder ingrijpende manier kon worden bereikt. Op die grond is het Hof tot het minder verstrekkende oordeel gekomen dat Pretium, mede gelet op het belang van vrije nieuwsgaring, eerst de mogelijkheid van bewijslevering door het horen van getuigen had moeten benutten. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aldus de Hoge Raad, die het beroep dan ook verwerpt.

Conclusie

Artikel 843a lid 4 Rv stelt niet de absolute eis dat alle andere mogelijkheden tot bewijsvergaring moeten zijn uitgeput alvorens inzage in of afschrift van bescheiden kan worden gevorderd. Ondanks het bestaan van andere bewijsleveringsmogelijkheden kan een vordering uit hoofde van artikel 843a Rv toewijsbaar zijn, bijvoorbeeld omdat die mogelijkheden bezwaarlijker of potentieel minder effectief zijn. In dit geval was echter ook een inbreuk op artikel 10 EVRM aan de orde en mocht het Hof op die grond tot het oordeel komen dat Pretium eerst over had moeten gaan tot het benutten van minder verstrekkende bewijsmiddelen, zoals het horen van getuigen. Ook de bescherming van artikel 10 EVRM is echter niet absoluut, zeker niet voor de makers van heimelijke filmopnames. Blijkens het Nordisk-arrest moet namelijk per geval worden beoordeeld of de bescherming die journalistieke bronnen toekomt zich ook uitstrekt tot dergelijke opnames. Bovendien kan een inbreuk op artikel 10 EVRM, bijvoorbeeld in de vorm van een vordering uit hoofde van artikel 843a Rv, toch toelaatbaar zijn, wanneer deze voldoet aan de vereisten van de noodzakelijkheid, subsidiariteit en proportionaliteit.