De doorwerking van productaansprakelijkheid in artikel 6:162 BW

Hugo Boom
Hugo Boom Advocaat

Het is al jaren vaste rechtspraak dat voor aansprakelijkheid van een producent op grond van een gewone onrechtmatige daad aansluiting kan worden gezocht bij de normen voor productaansprakelijkheid (HR 22 september 2000, NL:HR:2000:AA7239). Afgelopen vrijdag 13 januari heeft de Hoge Raad voor het eerst overwogen dat ook teruggegrepen kan worden op productaansprakelijkheidsnormen om te beoordelen door wie een product ‘in het verkeer is gebracht’ (HR 13 januari 2017, NL:HR:2017:32).

In 2008 brandt een van de vrachtwagens van Bemo Bedrijfswagens B.V. uit. Tussen het spatscherm en de uitlaatdemper links onder de cabine van de vrachtwagen kon zich vuil ophopen, dat op een gegeven moment vlam heeft gevat door de hoge uitlaattemperatuur. Achmea keert daarop een schadevergoeding aan Bemo Bedrijfswagens uit. De verzekeraar probeert de schade vervolgens te verhalen op Daf, de producent van de vrachtwagen. De Eindhovense vrachtwagenfabrikant leverde deze vrachtwagen in 2003 aan dochterbedrijf Daf Trucks Deutschland GmbH, dat de vrachtwagen vervolgens aan Bemo Bedrijfswagens leverde. Achmea vordert schadevergoeding op grond van een ‘gewone’ onrechtmatige daad (art. 6:162 BW), omdat de wettelijke regeling van productaansprakelijkheid (art. 6:185 e.v. BW) alleen van toepassing is bij personenschade en schade aan zaken die gewoonlijk voor gebruik in de privésfeer zijn bestemd (art. 6:191 BW). Daarvan was hier geen sprake: de brand eiste (gelukkig) geen slachtoffers en ontstond bij bedrijfsmatig gebruik.

Op grond van vaste rechtspraak dient in dit soort gevallen aansluiting te worden gezocht bij de definitie van een ‘gebrekkig product’ in de zin van de regeling voor productaansprakelijkheid. Er moet zodoende worden beoordeeld of de producent een product in het verkeer heeft gebracht dat schade veroorzaakt bij normaal gebruik voor het doel waarvoor het is bestemd (HR 22 september 2000, NL:HR:2000:AA7239).

Het was echter nog niet duidelijk wat in het kader van een gewone onrechtmatige daad onder ‘in het verkeer brengen’ moet worden begrepen. Rechtbank en hof maken bij de beoordeling van deze vraag gebruik van een productaansprakelijkheidsnorm, die kort gezegd inhoudt dat ook aangenomen kan worden dat de producent het product in het verkeer bracht, wanneer een product via een of meer tussenpersonen aan een consument of gebruiker wordt geleverd (de norm is gebaseerd op HvJEU 9 februari 2006, EU:C:2006:93, O’Byrne/Sanofi). Daf bestreed bij het hof dat deze norm van overeenkomstige toepassing is, omdat er sprake is van een gewone onrechtmatige daadsvordering en niet van een vordering op de voet van de regels voor productaansprakelijkheid.

De Hoge Raad overweegt echter dat deze productaansprakelijkheidsnorm van overeenkomstige toepassing is wanneer een producent op de voet van artikel 6:162 BW aansprakelijk wordt gesteld. Het is daarmee volgens de Hoge Raad ook in het kader van artikel 6:162 BW niet langer relevant of het product rechtstreeks door de producent wordt verkocht aan de gebruiker of consument, of dat dit via een of meer tussenpersonen gebeurt. Daarmee bevestigt de Hoge Raad de tendens van een ruime doorwerking van productaansprakelijkheidsnormen in het algemene aansprakelijkheidsrecht. Met deze uitspraak komt aansprakelijkheid van de producent op grond van een gewone onrechtmatige daad sneller in beeld.