Wat kwalificeert als grief en waarom is dat van belang? | Procederen in hoger beroep

Het appelprocesrecht kent verschillende valkuilen die de kansen op een succesvol hoger beroep en daaropvolgend cassatieberoep verkleinen. Kennis daarvan is dus van groot belang. In deze blogreeks ‘procederen in hoger beroep’  belichten onze cassatieadvocaten steeds vanuit praktisch perspectief een aspect van een belangrijk appelprocesrechtelijk leerstuk. Dit keer: wat kwalificeert als een grief en waarom is dat van belang?

Het begrip ‘grief’: de nauwe en ruime uitleg

Een letterlijke of taalkundige uitleg van het begrip ‘grief’ houdt in dat het gaat om alle klachten die de appellant tegen de bestreden uitspraak aanvoert. In die uitleg richten grieven zich dus enkel inhoudelijk tegen de overwegingen van de rechtbank. In het normaal spraakgebruik klaagt men immers over een bepaald oordeel. Dit is de nauwe uitleg van het begrip.

De Hoge Raad hanteert echter een ruimer begrip. Grieven zijn alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd.[1] Dat wil zeggen: alles wat ertoe moet leiden dat het dictum van de uitspraak niet in stand kan blijven. Het begrip omvat in die benadering meer dan enkel klachten tegen de inhoudelijke overwegingen van de rechtbank. Ook bijvoorbeeld nieuwe feiten, een beroep op verjaring of vernietigbaarheid eerst in hoger beroep, eiswijzigingen en eisvermeerderingen beogen namelijk de vernietiging van het dictum.[2] Het is niet relevant dat de rechtbank zich daarover niet heeft uitgelaten, omdat het beroep daarop in eerste aanleg niet is gedaan. Zij vallen daarom ook onder het begrip grief.

Het belang van de kwalificatie als ‘grief’: procedurele beperkingen en mogelijkheden

Deze ruime uitleg van het begrip heeft belangrijke consequenties die de (advocaat van de) appellant en ook (die van) de geïntimeerde goed op het netvlies moeten houden. De uitleg leidt tot beperkingen, maar biedt ook kansen. Ik bespreek hierna de meest in het oog springende consequenties.

Ten eerste speelt het begrip een belangrijke rol binnen de zogenaamde tweeconclusieregel (klik hier voor de blog daarover). Volgens die regel moet de appellant alle grieven uiterlijk aanvoeren in zijn memorie van grieven. Als gevolg van de ruime uitleg van het begrip moeten ook bijvoorbeeld eisveranderingen of -vermeerderingen en nieuwe feiten steeds uiterlijk bij memorie van grieven worden aangevoerd. De ruime uitleg leidt dus tot temporele beperkingen.

Ten tweede moet ook de geïntimeerde opletten als hij zijn eis nog wil wijzigen of wil vermeerderen. De geïntimeerde wenst dan immers ook een ander dictum. Hij zal daarom ter beoordeling van die eis eveneens uiterlijk bij memorie van antwoord zelf incidenteel beroep moeten instellen.

Ten derde heeft de centraalstelling van de grief in de tweeconclusieregel omgekeerd tot gevolg dat alles wat niet als grief kwalificeert door de appellant nog wel na de memorie van grieven mag worden aangevoerd – binnen de grenzen van de goede procesorde. Een getuigenbewijsaanbod kwalificeert bijvoorbeeld niet als grief, want is als zodanig niet gericht op de vernietiging van het dictum van de bestreden uitspraak. Het aanbod strekt enkel tot het bewijzen (of ontkrachten) van reeds betrokken stellingen. Het bewijsaanbod mag daarom in beginsel ook nog in de appelpleitnota gedaan worden. Overigens gelden voor het bewijsaanbod in hoger beroep wel aparte eisen (klik hier voor de blog daarover).

Ten slotte volgt uit de definitie van de Hoge Raad dat een partij een argument geen ‘grief’ hoeft te noemen om te bewerkstelligen dat het hof tot vernietiging overgaat. Een grief kwalificeert namelijk als zodanig zodra voldoende duidelijk is dat de appellant met het aangevoerde argument beoogt de uitspraak van de rechtbank te vernietigen. Het is daarom, anders dan soms wordt aangenomen, niet nodig om ieder argument los als grief te betitelen of de overwegingen van de rechtbank met individuele grieven te bestrijden.  Die benadering heeft soms tot gevolg dat een memorie van grieven vele tientallen of zelfs meer dan honderd ‘grieven’ bevat. Niet zelden leidt dat tot versplintering van het betoog. De definitie van de Hoge Raad laat alle ruimte om argumenten bijvoorbeeld thematisch naar voren te brengen (‘de inhoud van de overeenkomst’, ‘het beroep op verjaring’ etc). De appellant kan er vervolgens mee volstaan duidelijk te omschrijven welke overwegingen als gevolg daarvan niet in stand kunnen blijven. In de regel laat het partijstandpunt zich zo overzichtelijker en daarmee overtuigender presenteren.

Conclusie

De Hoge Raad kwalificeert een grief als alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd. Onder het begrip vallen daarom niet alleen argumenten tegen de overwegingen uit de bestreden uitspraak, maar ook nieuwe feiten, eisveranderingen -en vermeerderingen etc. De appellant moet die gronden uiterlijk bij memorie van grieven aanvoeren, de geïntimeerde moet zelf incidenteel beroep instellen als hij zijn vordering wil wijzigen of vermeerderen. Een getuigenbewijsaanbod kwalificeert niet als grief en mag dus – binnen de grenzen van de goede procesorde – ook nog bij pleidooi gedaan worden. Verder hoeft een grief geen ‘grief’ te heten om als grief te kwalificeren. Een partij heeft ook in hoger beroep daarom de mogelijkheid om zijn standpunt thematisch naar voren te brengen in plaats van met korte grieven. Dat komt in de regel de overzichtelijkheid en overtuigingskracht van het betoog ten goede.

[1] Zie bijv. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959 (Willemsen/NOM).

[2] Zie bijv. HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3032 (Maclaine Pont/De Haan en HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771 (Wertenbroek).