Uit de oude doos: Lindenbaum/Cohen

Meer artikelen over:CassatieUit de oude doos
Ingrid Reimert
Ingrid Reimert Advocaat

In deze rubriek bespreken we oude arresten die nog steeds relevant zijn. Hoe zat het ook alweer met Lindenbaum/Cohen?

In 1919 heeft de Hoge Raad het baanbrekende arrest Lindenbaum/Cohen (HR 13 januari 1919, NJ 1919, 161) gewezen. In deze zaak stond het begrip onrechtmatig uit artikel 1401 BW (oud) centraal. Dit artikel bepaalde dat degene die een onrechtmatige daad jegens een ander pleegt, de daardoor ontstane schade moet vergoeden.

Beperkte definitie begrip onrechtmatig

Tot aan 1919 hanteerde de Hoge Raad een zeer beperkte definitie van het begrip onrechtmatig. Alleen daden die in strijd waren met een rechtsplicht van de dader of een inbreuk maakten op een recht van een ander werden als onrechtmatig beschouwd. Kort gezegd, alleen onwetmatige daden waren onrechtmatig. Uiterst onzorgvuldig en onbetamelijk gedrag leidde echter niet tot een schadevergoedingsplicht en in de praktijk werden er uitspraken gedaan die (ook toen) als zeer onredelijk werden beschouwd. Een tot de verbeelding sprekend voorbeeld hiervan dateert uit 1910. De heer Nijhof is eigenaar van een pakhuis waarin hij een partij leer heeft opgeslagen. Mevrouw De Vries huurt van Nijhof een woning boven het pakhuis. In een koude winternacht springt in het pakhuis de waterleiding en Nijhof verzoekt De Vries om de hoofdkraan die zich op haar etage bevindt, dicht te (mogen) draaien. De Vries weigert hieraan mee te werken en de schade is enorm. De Hoge Raad oordeelt dat géén sprake is van een onrechtmatige daad. De Vries heeft namelijk geen inbreuk op de rechten van Nijhof gemaakt en er is geen wettelijke plicht aanwezig om gehoor te geven aan het verzoek van Nijhof.

“Er is door ons hoogste rechtscollege zelden een arrest gewezen, waarvan zoo heilzame invloed op ons rechtsleven mag worden verwacht.”

Lindenbaum/Cohen

In het arrest Lindenbaum/Cohen breekt de Hoge Raad met deze leer en aanvaardt hij dat ook handelen dat in strijd is met de maatschappelijke betamelijkheid of zedelijkheid onrechtmatig is. In die zaak had handelsdrukker Cohen een bediende van zijn concurrent Lindenbaum met giften en beloften overgehaald om hem inlichtingen te verschaffen over wat er bij zijn werkgever speelde (inclusief uitgebrachte offertes). Lindenbaum vordert de daardoor geleden schade op grond van onrechtmatig handelen. Het Hof wijst deze vordering af. Hoe afkeurenswaardig het handelen van Cohen ook moge zijn, hij heeft niet in strijd met de wet gehandeld. Lindenbaum gaat in cassatie en de Hoge Raad ‘gaat om’. Onder onrechtmatig handelen valt ook: “het indruischen van het handelen of nalaten, hetzij tegen de goede zeden, hetzij tegen de zorgvuldigheid, welke in het maatschappelijk verkeer betaamt ten aanzien van eens anders persoon of goed.” In het huidige onrechtmatige daadsartikel (6:162 BW) is de regel uit dit arrest gecodificeerd. Onrechtmatig is ook een doen of nalaten ‘in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt’. De impact van de uitspraak van de Hoge Raad was in 1919 al duidelijk. Molengraaff geeft in zijn annotatie onder dit arrest aan: “Er is door ons hoogste rechtscollege zelden een arrest gewezen, waarvan zoo heilzame invloed op ons rechtsleven mag worden verwacht.”