Uit de oude doos: Hema / Prins

Joost Luiten
Joost Luiten Advocaat

In de rubriek ‘Uit de oude doos’ bespreken we oude arresten die nog steeds relevant zijn. In het arrest Hema / Prins  (HR 21 januari 2000, JAR 2000/45) stond de vraag centraal of een werknemer die op zijn laatste werkdag na een 35-jarig dienstverband twee blikken motorolie meenam zonder te betalen, op staande voet mocht worden ontslagen.

Prins was sinds 1960 in dienst van Hema. In verband met een reorganisatie, sloten Prins en Hema in juli 1995 een beëindigingsovereenkomst op basis waarvan het dienstverband van Prins per 30 september 1995 zou eindigen. Ter compensatie voor het ontslag, werd een suppletieregeling getroffen: Prins zou van Hema een aanvulling ontvangen op zijn sociale zekerheidsuitkeringen. Aangezien Prins zijn resterende vakantiedagen zou opnemen, was 27 juli 1995 zijn laatste werkdag. Die dag werd ook een afscheidsbijeenkomst voor hem georganiseerd. Bij het verlaten van het filiaal heeft Prins twee blikken motorolie meegenomen (ƒ 4,95 per stuk), zonder deze te betalen. Dit werd door Hema opgemerkt en Prins werd op staande voet ontslagen wegens diefstal dan wel verduistering.

Vordering nietigverklaring ontslag op staande voet

Prins vorderde nietigverklaring van het ontslag op staande voet. Daarbij stelde hij dat zijn gedrag zou zijn te wijten aan vergeetachtigheid, veroorzaakt door medicijngebruik. Bovendien stelde hij dat het ontslag voor hem grote financiële gevolgen zou hebben, die in geen verhouding stonden tot het misdrijf dat hem werd verweten. De beëindigingsovereenkomst, inclusief de daarin vervatte suppletieregeling, was met het ontslag op staande voet immers van tafel.

In hoger beroep oordeelde de rechtbank dat Prins terecht op staande voet was ontslagen. Hij had niet aannemelijk gemaakt dat zijn handelen aan vergeetachtigheid te wijten was. Daarbij werd onder meer van belang geacht dat Prins de blikken motorolie eerst apart had gezet in de personeelsruimte en ze daarna pas had meegenomen, samen met drie andere artikelen die hij wel had afgerekend.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad acht dit oordeel niet onbegrijpelijk. Toch vernietigt hij het vonnis van de rechtbank. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden, moeten volgens de Hoge Raad namelijk alle omstandigheden van het geval worden betrokken. Daartoe behoren ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zouden hebben. In dit geval had de rechtbank die omstandigheden niet (kenbaar) meegewogen. De rechtbank had onder meer moeten meewegen dat Prins van het ontslag op staande voet grote financiële gevolgen zou ondervinden, doordat hij zijn aanspraak op de suppletieregeling verloor.

De Hoge Raad merkt nog wel op dat ingrijpende gevolgen voor de werknemer niet altijd zwaarder wegen dan de dringende reden tot ontslag. De aard en de ernst van de dringende reden kunnen mogelijk een ontslag op staande voet toch rechtvaardigen. Ook een werknemer met een lang dienstverband en zijn laatste werkdag (zo goed als) achter de rug, kan dus beter de verleiding weerstaan zichzelf een ongeoorloofd afscheidscadeau te geven.