Uit de oude doos: het Beklamel-criterium

Dirk Buijs
Dirk Buijs Advocaat

In deze rubriek bespreken we oude arresten die nog steeds relevant zijn. Hoe zat het ook alweer met het Beklamel-criterium?

In maart 1981 verkoopt en levert Stimulan B.V. een partij voor veevoeder bestemde afgekeurde babyvoeding aan Beklamel B.V. Als Beklamel de koopprijs niet betaalt, wordt tussen de bestuurder van Stimulan en de bestuurder van Beklamel (de heer Klaas) afgesproken dat Beklamel de partij babyvoeding zal doorverkopen aan Verveka B.V. Dat gebeurt vervolgens ook, maar in plaats van de koopprijs daadwerkelijk te voldoen, verrekent Verveka deze met haar eigen vorderingen op Beklamel. Helaas voor Stimulan blijft Beklamel tegenover haar in gebreke. Beklamel gaat failliet en Stimulan spreekt Klaas aan tot betaling van de koopprijs.

Persoonlijk aansprakelijk?

Volgens Stimulan is Klaas als bestuurder van Beklamel uit hoofde van onrechtmatige daad persoonlijk aansprakelijk omdat hij bij het aangaan van de (oorspronkelijke) overeenkomst met Stimulan wist of behoorde te begrijpen dat Beklamel haar verplichtingen niet kon nakomen. De Hoge Raad oordeelt uiteindelijk dat voor het aannemen van persoonlijke aansprakelijkheid van Klaas onvoldoende is dat hij bij het aangaan van de overeenkomst wist, of moest begrijpen, dat Beklamel niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. Volgens de Hoge Raad is bovendien vereist dat Klaas wist of moest begrijpen dat Beklamel geen verhaal zou bieden (HR 6 oktober 1989, nr. 13618, NJ 1990, 286).

Beklamel-criterium

Het “Beklamel-criterium” is in latere jurisprudentie verder verfijnd en luidt thans als volgt: “indien de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen indien deze bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk ter zake van de benadeling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt” (zie onder meer HR 8 december 2006, NJ 2006/659 (Ontvanger/Roelofsen), geval (i)).

de eis (..) dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden

Een recent voorbeeld waarin het Beklamel-criterium wordt toegepast is de RCI/Kastrop zaak (HR 5 september 2014, JOR 2014/325). In deze zaak vat de Hoge Raad het Beklamel-criterium als volgt samen: “de eis (..) dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden”. De Hoge Raad oordeelt vervolgens dat de enkele omstandigheid dat aan de bestuurder van een vennootschap persoonlijk kan worden verweten dat de wederpartij van die vennootschap een slechtere zekerheidspositie verkrijgt voor zijn vorderingen dan met hem is overeengekomen, nog niet meebrengt dat de bestuurder bij het aangaan van de overeenkomst ook wist of behoorde te begrijpen dat de wederpartij daardoor schade zou lijden.

Net als Stimulan dertig jaar daarvoor, krijgt ook schuldeiser RCI vervolgens het deksel op de neus. Wie over deze materie procedeert zal dus (nog steeds) zeker moeten stellen dat hij voldoende aandacht besteedt aan alle door de Hoge Raad genoemde elementen van het Beklamel-criterium.