Niet-opzegbaarheid van duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd

Duurovereenkomsten komen in de rechtspraktijk veel voor. Een duurovereenkomst is een rechtsverhouding waarbij partijen zich hebben verbonden gedurende een (on)bepaalde tijd over en weer een of meer prestaties te verrichten, waarbij die prestaties voortdurend, telkens terugkerend of opeenvolgend moeten zijn. Te denken valt aan de distributie-, franchise- of huurovereenkomst. De wet kent geen algemene wettelijke regeling voor (opzegging van) duurovereenkomsten.

Lange tijd gold dat een voor onbepaalde tijd gesloten duurovereenkomst, heel kort gezegd, alleen kon worden opgezegd indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond aanwezig was. Dat wrong (enigszins) omdat dit uitging van een verplicht eeuwigdurend contract waaraan alleen ingeval van een zwaarwegende grond kon worden ontsnapt. Nu geldt een ander uitgangspunt: volgens inmiddels vaste rechtspraak is een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd in beginsel opzegbaar, ook als de wet en de overeenkomst zelf niet in een opzeggingsregeling voorzien. Redelijkheid en billijkheid kunnen evenwel verplichten tot het bestaan van een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging of tot inachtneming van een opzegtermijn c.q. betaling van een (schade)vergoeding.

Recentelijk heeft de Hoge Raad aan dit huidige beginsel toegevoegd dat dit niet wegneemt dat duurovereenkomsten naar de bedoeling van partijen niet-opzegbaar kunnen zijn. Dit gebeurde in HR 15 april 2016 (ECLI:NL:HR:2016:660), nadat de Hoge Raad had vastgesteld dat de betreffende overeenkomst samenhing met een statutaire regeling van een stichting waarin partijen participeerden, aan welke regeling de Gemeente Amsterdam zich niet eenzijdig door opzegging kon onttrekken. Tegen de niet-opzegbaarheid kan de opzeggende partij zich echter onder omstandigheden verweren met een beroep op art. 6:248 lid 2 BW (beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid) en art. 6:258 BW (onvoorziene omstandigheden). De stelplicht en bewijslast van de niet-opzegbaarheid rusten bij de opgezegde partij. Bovendien gelden voor die stelplicht en bewijslast geen verzwaarde eisen, aldus de Hoge Raad. Met dit arrest is het stukje recht over opzegging van duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd weer iets uitgebreid.

Wil een partij zich ervan verzekeren dat niet kan worden opgezegd, dan kan dat expliciet zo in de betreffende overeenkomst worden opgenomen. Maar let op: ook als een dergelijke bepaling ontbreekt, kan nog steeds (op basis van gerechtvaardigd vertrouwen) niet-opzegbaarheid aan de orde zijn.

Dit artikel verscheen in mei 2016 in de rubriek Snelrecht van Mr. magazine.