Op wiens verzoek mag de rechter zijn uitspraak aanvullen?

Meer artikelen over:Cassatie
Hugo Kolstee
Hugo Kolstee Advocaat

HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:699

Artikel 23 Rv bepaalt dat de rechter moet beslissen over alles dat partijen hebben verzocht of gevorderd. Laat een rechter dat na, dan bepaalt artikel 32 Rv dat hij te allen tijde op verzoek van een partij zijn uitspraak mag aanvullen. In dit arrest van 10 mei 2019 verduidelijkt de Hoge Raad welke partij dit verzoek mag doen.

Wat hield de zaak in?

Na een echtscheiding in 2005 moet de man aan de vrouw partneralimentatie betalen. In 2013 beslist de rechtbank dat die alimentatie per 2 oktober 2012 maandelijks € 1.086,85 bedraagt. In hoger beroep verzoekt de man het hof de alimentatie op nihil te stellen, en de vrouw te veroordelen de teveel betaalde alimentatie terug te betalen.

In 2014 stelt het hof bij beschikking de alimentatie met ingang van 1 augustus 2012 vast op € 767,–; de man heeft (dus) € 12.291,18 te veel betaald. De vrouw betaalt dit bedrag terug.

In 2017 verzoekt de vrouw het hof op grond van artikel 32 Rv zijn beschikking van 2014 aan te vullen: het hof had niet beslist op het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen tot terugbetaling. Het hof verklaart de vrouw bij tussenbeschikking ontvankelijk, en geeft beide partijen de gelegenheid te reageren. Bij eindbeschikking bepaalt het hof dat de vrouw niet is gehouden het te veel betaalde terug te betalen.

De man gaat in cassatie.

Wie mag een verzoek op grond van artikel 32 Rv indienen?

De Hoge Raad is kort van stof en komt tot een andere slotsom dan de Conclusie van A-G Lückers. Uitsluitend de verzoekende of eisende partij mag de rechter verzoeken zijn uitspraak aan te vullen. Zijn wederpartij mag dat niet. De ratio hierachter is dat het ook aan de eisende of verzoekende partij is om eventueel van het verzoek of de vordering (deels) af te zien: wellicht vindt die partij het prima dat de rechter geen oordeel heeft gegeven over (een deel van) zijn vordering(en). Volgens de Hoge Raad gaat de wederpartij daar niet over.

De Hoge Raad doet de zaak zelf af door de vrouw alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

Duidelijkheid over aanvullingsverzoeken

Gezien het feit dat rechters vrijwel sjabloonmatig het “meer of anders verzochte/gevorderde” afwijzen (beide varianten komen duizenden keren voor op rechtspraak.nl) zijn er weinig situaties waarin een aanvullingsverzoek mogelijk is. De Parlementaire Geschiedenis bij artikel 32 Rv merkt daarover het volgende op: “Inderdaad wordt aan dit artikel niet toegekomen in het geval dat de rechter uitdrukkelijk het meer of anders gevorderde afwijst. Van een kennelijke omissie is in zo’n geval dan ook geen sprake.” (Parl. Gesch. Herz. Burg. Rv., p. 183). A-G Lückers lijkt het anders te zien: in de Conclusie vóór dit arrest meent zij dat in die zinsnede zowel een stilzwijgend afwijzen óf een niet-reageren op een eis besloten kan liggen. De Hoge Raad heeft zich daarover niet uitgelaten.

Dat aanvulling niet ambtshalve mag, is geen nieuws. Met deze uitspraak verduidelijkt de Hoge Raad welke partij een aanvullingsverzoek mag doen: dat is uitsluitend de eisende of verzoekende partij. Het ligt in de rede dat de eiser of verzoeker in reconventie daar ook onder valt.