Over nut en noodzaak van een cassatieadvocaat

Meer artikelen over:CassatieCassatieprocedure
Hugo Kolstee
Hugo Kolstee Advocaat

Soms verklaart de Hoge Raad een eiser tot cassatie niet-ontvankelijk (80a RO), bijvoorbeeld omdat zijn procesinleiding lijdt aan vormgebreken. De meest gangbare gebreken zijn tweeërlei:

  1. de procesinleiding is niet op de juiste wijze ingediend; en
  2. de procesinleiding is niet door een advocaat bij de Hoge Raad ondertekend.

Ten aanzien van het eerste punt geldt sinds 1 maart 2017 dat de procesinleiding in cassatie digitaal moet worden ingediend, via de portaal ‘Mijn Zaak Hoge Raad’. Ten aanzien van het tweede is voor cassatieprocedures procesvertegenwoordiging verplicht, en wel door een advocaat die op het tableau bij de Hoge Raad is ingeschreven.

Hersteltermijn van twee weken

De vormgebreken kunnen met elkaar samenhangen: indien er geen cassatieadvocaat bij de procedure betrokken is, zal de eiser niet weten hoe hij zijn zelfgeschreven ‘cassatiemiddel’ correct moet indienen. De zelfredzame rechtzoekende wordt na zijn eerste poging in beginsel door de griffie van de Hoge Raad gered: na ontvangst van de gebrekkige procesinleiding wijst de griffie op de vormfouten en krijgt de eiser een hersteltermijn van twee weken.

Helaas gaat het vaak alsnog mis: er blijkt geen advocaat bereid te zijn om namens de eiser de ondertekende procesinleiding op de juiste wijze in te dienen, en dus wordt de eiser na het verstrijken van de termijn niet-ontvankelijk verklaard. Voor eisers komt dat hard aan. Het gevoel leeft dat in dit soort gevallen – wanneer wegens louter vormelijke pietluttigheden een inhoudelijk oordeel van de Hoge Raad uitblijft – sprake is van het ontzeggen van de toegang tot de cassatierechter; een soort schending van artikel 6 EVRM dus.

Vormvoorschriften casssatieberoep

Een recent voorval (Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1786) gaf plaatsvervangend procureur-generaal Langemeijer aanleiding om uiteen te zetten dát en waarom de vormvoorschriften voor het cassatieberoep géén ongerechtvaardigde belemmering voor toegang tot de cassatierechter vormen. Zijn conclusie (Conclusie P-G 29 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:754) werpt licht op nut en noodzaak van de cassatieadvocaat.

De casus in cassatie is als volgt. Eiser wil in cassatie, en doet de Hoge Raad binnen de cassatietermijn een “cassatierekest” toekomen. Deze is niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad en niet digitaal ingediend, waarop de griffie van de Hoge Raad eiser twee weken de tijd geeft om een cassatieadvocaat in de arm te nemen en de vormfouten te herstellen. Per e-mail deelt eiser de griffie daarop mede dat zijn verzoek aan de Deken van de Orde van Advocaten om hem een advocaat toe te wijzen is afgewezen – eiser  had namelijk al twee negatieve cassatieadviezen ontvangen. Eiser’s tuchtrechtelijke beklag tegen die afwijzing wordt ongegrond verklaard ná het verstrijken van de hersteltermijn. Hij wendt zich opnieuw tot de Hoge Raad, dit maal met het verzoek om zichzelf in cassatie te vertegenwoordigen; hiervoor brengt hij het argument naar voren dat de met elkaar verwante vormvoorschriften hem de toegang tot de cassatierechter ontzeggen. Dit is  een vaker gehoord argument, waarop plaatsvervangend P-G Langemeijer uitvoerig uit de doeken doet waarom dit niet tot een ander oordeel ten aanzien van de ontvankelijkheid kan leiden.

Hoge ontvankelijkheidseisen cassatieprocedure

Het door artikel 6 EVRM beschermde recht op toegang tot de rechter is niet absoluut. Verdragstaten mogen dit recht beperken, mits die beperkingen de toegang tot de rechter niet in de kern aantasten, ze een legitiem doel dienen en, in verhouding tot dat doel, niet onevenredig zijn. In de gespecialiseerde cassatieprocedure zijn hogere ontvankelijkheidseisen – een soort beperking dus –   legitiem om overbelasting van de Hoge Raad te voorkomen, en om de kwaliteit van zijn uitspraken te waarborgen. Zaken die aan hem worden voorgelegd mogen strenger op toelaatbaarheid gecontroleerd worden. De verplichte cassatieadvocaat is een onderdeel van die controle, en dient een bij voorbaat kansloos cassatieberoep te weigeren. Voor die weigering gelden wel bepaalde kwaliteitseisen; de belangrijkste is dat er tijdig een schriftelijk cassatieadvies wordt uitgebracht. Een onderbouwd negatief advies kan een grote teleurstelling voor de rechtszoekende zijn, met name wanneer een eventuele ‘second opinion’ van een andere cassatieadvocaat gelijkluidend is. Het niet kunnen vinden van een cassatieadvocaat die bereid is beroep in te stellen, rechtvaardigt echter geen uitzondering op de verplichte procesvertegenwoordiging in cassatie. Als er geen enkele cassatieadvocaat bereid is beroep in te stellen, zal de teleurgestelde rechtzoekende in de uitspraak van het hof moeten berusten.

Dit wordt niet anders wanneer een cassatieadvocaat op toevoegingsbasis werkt, of wanneer hij/zij door de Deken van de Orde van Advocaten wordt aangewezen om een rechtzoekende van cassatieadvies te voorzien. Ook de aangewezen (toevoegings-)cassatieadvocaat mag, als dominus litis, na het uitbrengen van een negatief advies weigeren cassatieberoep in te stellen.

Zeeffunctie advocaat

Zo bezien vervult de cassatieadvocaat een ‘zeeffunctie’. Door in bij voorbaat volstrekt kansloze zaken geen beroep in te stellen, voorkomt de verplichte cassatieadvocaat overbelasting van de Hoge Raad. De kwaliteit van uitspraken in zaken die wél behandeld worden blijft mede daardoor gewaarborgd, wat bijdraagt aan hun aanvaardbaarheid en controleerbaarheid. Die zeeffunctie is dus belangrijk, en, door het gespecialiseerde karakter van het cassatiewerk, onmogelijk door leken te vervullen. De nauw met elkaar verweven vormvereisten van het cassatieberoep zijn dus geen pietluttigheden, maar onderdeel van de waarborgfunctie van de cassatiebalie. De poorten van de Hoge Raad mogen gesloten blijven als de poortwachters aangeven waarom toegang wordt ontzegd, hoe vervelend het verliezen van een rechtszaak ook is.