Het moment van inschakeling van de OR bij reorganisatie: tricky business!

Meer artikelen over:Arbeidsrecht
Laurens de Graaf
Laurens de Graaf Advocaat / partner

Onlangs is weer eens bevestigd dat te late inschakeling van de OR grote gevolgen kan hebben voor een ondernemer. De Ondernemingskamer oordeelde dat de voorgenomen sluiting van het R&D lab van Nalco in Delden moest worden teruggedraaid, omdat de OR te laat was ingeschakeld. In de uitspraak wordt duidelijk gemaakt wanneer de OR moet worden ingeschakeld bij een voorgenomen reorganisatie.

Bij vrijwel iedere voorgenomen reorganisatie is het weer wikken en wegen: wat is het juiste moment om de OR te informeren? Enerzijds is bekend dat dit moet plaatsvinden op een moment dat de OR met zijn advies nog wezenlijke invloed op het voorgenomen besluit kan uitoefenen. Anderzijds willen ondernemingen de periode van onrust onder het personeel zo kort mogelijk houden. Het informeren van de OR leidt er echter regelmatig toe dat de geest uit de fles raakt. Nog lastiger wordt de afweging wanneer een Nederlandse onderneming deel uitmaakt van een buitenlands concern en het besluit tot reorganisatie van de Nederlandse onderneming op hoog niveau in het concern reeds is genomen.

Bij vrijwel iedere voorgenomen reorganisatie is het weer wikken en wegen: wat is het juiste moment om de OR te informeren? De bestuurder van Nalco, onderdeel van het internationale Ecolab-concern, bevond zich in deze lastige situatie. Eind april 2016 werd hij door de concernleiding op de hoogte gesteld van het feit dat sluiting van de vestiging in Delden waarschijnlijk was, maar pas op 1 juli 2016 vroeg hij advies aan de OR. Te laat volgens de OR en de Ondernemingskamer was het daarmee eens.

De Ondernemingskamer onderkende dat de internationale concernsituatie van Nalco in combinatie met een zeer ingrijpend besluit tot sluiting van de onderneming de medezeggenschap complex maakte. Maar deze omstandigheden werkten niet verzachtend voor Nalco. Integendeel. Juist vanwege deze omstandigheden diende Nalco er goed op te letten dat het advies van de OR daadwerkelijk invloed kon hebben op het te nemen besluit, aldus de Ondernemingskamer.

Vervolgens beoordeelde de Ondernemingskamer of Nalco in redelijkheid tot haar besluit had kunnen komen. Hierbij achtte hij van belang hoe Nalco had gehandeld in de periode voorafgaand aan de adviesaanvraag. De Ondernemingskamer wees in dit verband op de relevantie van artikel 24 WOR. Een artikel dat in de praktijk overigens vaak over het hoofd wordt gezien. Daarin staat dat de ondernemer aan de OR in een overlegvergadering moet mededelen welke advies- en instemmingsplichtige besluiten, zoals een reorganisatie, hij “in voorbereiding heeft”. In het geval van Nalco was niet tussen eind april en 1 juli aan de OR in een overlegvergadering medegedeeld dat het besluit tot sluiting van de onderneming in voorbereiding was. Dit leverde een schending op van artikel 24 WOR. De Ondernemingskamer overwoog:

“Zodra sluiting van de locatie Delden een aannemelijk scenario werd, had Nalco met de ondernemingsraad in overleg dienen te treden over het adviestraject. Niet het moment waarop de sluiting als business case was uitgewerkt, maar het moment waarop die richting zich als een voldoende reële optie aftekende, was het moment geweest voor een overleg als bedoeld in artikel 24 lid 1 WOR, althans voor een informeel overleg over de inrichting van het adviestraject. Bedoeld moment voor overleg heeft zich al vóór 1 juli 2016 voorgedaan.”

Betekent dit dat een reorganisatiebesluit altijd kennelijk onredelijk is wanneer de OR later is geïnformeerd dan het moment waarop dat besluit aannemelijk of voldoende reëel werd? Nee. Al in 2006 heeft de Ondernemingskamer duidelijk gemaakt dat schending van artikel 24 WOR gerepareerd kan worden in het uiteindelijke adviestraject, als uit dat traject blijkt dat de OR daadwerkelijk nog wezenlijke invloed op het besluit heeft kunnen uitoefenen. Van een dergelijke reparatie was in de Nalco-zaak echter geen sprake:

“Het feit dat Nalco het voorschrift van artikel 24 WOR niet heeft nageleefd en ook overigens overleg heeft nagelaten, is in het traject daarna niet geheeld.”

De Ondernemingskamer wijst in dit verband op uitlatingen van de bestuurder, dat de door de OR in het adviestraject aangedragen alternatieven al voorafgaand aan de adviesaanvraag waren overwogen en verworpen. Daaruit leidde de Ondernemingskamer af dat de mogelijkheid voor de OR om het voorgenomen besluit nog wezenlijk te beïnvloeden te beperkt was. Nalco werd zodoende veroordeeld het besluit terug te draaien.

De twee lessen uit deze zaak voor ondernemingen:

  • Wees ervan bewust dat de OR al op de hoogte moet worden gesteld van een voorgenomen advies- of instemmingsplichtig besluit dat in voorbereiding is. Dat is in de regel het geval zodra het voorgenomen besluit aannemelijk of voldoende reëel wordt.
  • Als het niet mogelijk is om aan deze verplichting te voldoen, moet in elk geval worden gewaarborgd dat de OR in het uiteindelijke adviestraject nog daadwerkelijk wezenlijke invloed kan uitoefenen op het voorgenomen besluit.